Skip to content

lazarus

Het gonsde de afgelopen weken in de christelijke media. De hel stond ter discussie! En al ben ik niet onder de indruk van de inzichten die werden geëtaleerd, ik ben blij dat zulke belangrijke dogma’s in de openheid bevraagd kunnen worden. De geschiedenis leert dat dat wel eens anders is geweest.

Je kunt bijna niet over de hel praten zonder aandacht te besteden aan de passage van de rijke man en de arme Lazarus. Veel van de algemene voorstelling van de hel wordt hieraan ontleend. Vandaar dat ik die gelijkenis de komende weken eens flink onder de loep wil nemen. Want hebben we deze beruchte woorden van Jezus wel helemaal goed begrepen?

Als we de tekst letterlijk nemen komen we in diverse problemen. Dat heb ik hier en hier al eens eerder laten zien. Alleen al op grond daarvan zouden we de passage als beeldspraak, als een gelijkenis moeten begrijpen. Maar in die artikelen ik heb vrijwel alleen maar laten zien wat de tekst volgens mij niet kan betekenen. Ik heb nog nauwelijks laten zien hoe we het verhaal wel kunnen verstaan. Dat wil ik in de komende weken gaan doen. Je zult zien er nog veel meer redenen zijn om de passage als een gelijkenis te begrijpen.

Elke bijbelstudent weet dat je bij de tekst die je leest enkele vragen moet beantwoorden. De zogenaamde wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe-vragen. Toegepast op onze situatie zou je de vragen zo kunnen formuleren: Wie spreekt er en waarom? Waar spreekt hij en wanneer? Wat zegt hij en hoe zegt hij het? Hiermee kun je in kaart brengen wat we geacht worden al te weten wanneer de beruchte gelijkenis wordt verteld.

waar en wanneer

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus staat aan het einde van Lukas hoofdstuk 16. Maar voor het waar en wanneer moeten we helemaal terugbladeren naar hoofdstuk 14. Dat hoofdstuk begint met: “En het geschiedde toen Hij op sabbat in het huis van een der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen” (Luk. 14:1). Dus daar was Jezus, bij een hoofdman van de Farizeeën thuis, op een sabbat.

wie en waarom

Bij deze hoofdman hield Jezus de langste toespraak die van Hem in de bijbel is opgenomen. De Farizeeën hielden Jezus scherp in de gaten, maar Hij hen ook. Hoofdstuk 14 beschrijft hoe Hij het positiespel van de vooraanstaande gasten afkeurde. Een ereplaats zou je gegeven moeten worden, die moest je niet nemen. Ook liet Hij de schare die Hem volgde weten dat het niet makkelijk zou zijn om een discipel van Hem te worden. Maar de aanleiding van de serie gelijkenissen waar ook de rijke man en de arme Lazarus bij hoort vinden we aan het begin van hoofdstuk 15. In het tweede vers van dat hoofdstuk staat: “En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen.” (Luk. 15:2). De verhalen zijn een reactie op dat gemopper.

wat en hoe

Jezus vertelt vijf afzonderlijke gelijkenissen. Vier ervan direct gericht tot de Farizeeën en schriftgeleerden, en een tot de discipelen. De eerste vier worden doorgaans als gelijkenis begrepen, maar de vijfde – die van de rijke man en de arme Lazarus – niet. Terwijl alleen het eerste verhaal een gelijkenis wordt genoemd. Bij alle volgende verhalen staat het er niet bij! Toch heeft men er geen moeite mee ook de tweede, derde en vierde als gelijkenis te herkennen. Maar de laatste is anders, vindt men. Is dat ook zo?

Kijk eens goed naar de aanvang van de verhalen. Het eerste verhaal begint met: “En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: [...]”. Het tweede verhaal begint met: “of welke vrouw [...]”, het derde met “En Hij zeide [...]”, het vierde met “Hij zeide ook [...]” en de passage van de rijke man en de arme Lazarus begint met: “En er was een rijk man [...]”. Het lijkt er op dat de verhalen aan elkaar gekoppeld zijn, als één samenhangende toespraak met een centraal thema. Ook het laatste verhaal. En als de eerste vier gelijkenissen zijn, is de laatste dat toch ook?

De reden dat we moeite hebben de rijke man en de arme Lazarus als gelijkenis te lezen is de hoeveelheid details die Jezus noemt. En bovendien is dit het enige verhaal (en zelfs de enige gelijkenis uit de mond van Jezus) waar een van de figuranten een naam heeft. Als er namen genoemd worden, is het toch niet algemeen meer? Toch wel, meen ik, ondanks de naam – of misschien juist wel dankzij. Maar daarover later meer.

aanloop

We hadden al gezien dat het gemopper van de Farizeeën en schriftgeleerden de aanleiding was van Jezus’ toespraak. Let ook eens op hoe de tekst verder gaat:

Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: [...] – Luk. 15:1-3

Jezus sprak tot hen, de Farizeeën en schriftgeleerden. Hij begon met de bekende gelijkenis van het verloren schaap. Jezus lichtte de gelijkenis toe met de woorden: “Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.” (Luk. 15:7). De Farizeeën en schriftgeleerden begrepen wel dat zij de rechtvaardige negenennegentig waren. De zondaar die zich bekeert, dat waren dan de zondaars waar Jezus mee omging.

Daarop vertelde Jezus de gelijkenis van de verloren penning, en Hij eindigde met de volgende woorden: “Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.” (Luk. 15:10). Opnieuw verloren en gevonden worden, zonde en bekering. De Farizeeën en schriftgeleerden zagen zichzelf weergegeven als rechtvaardigen die geen bekering nodig hadden. Ze kwamen er goed vanaf, tot dusver.

Maar dan vertelt Jezus het verhaal van de verloren zoon. Het zelfde thema als de voorgaande twee gelijkenissen, maar ditmaal werd de houding van de rechtvaardigen aangeroerd. Twee zoons, de oudste een trouw dienaar, de jongste een wildebras. En ditmaal geeft Jezus geen toelichting, maar de slotwoorden zijn niettemin veelzeggend:

Maar hij [de oudste zoon - GdB] antwoordde en zeide tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitebokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon [de jongste zoon - GdB] van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten. Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden. – Luk. 15:29-32

Werden de Farizeeërs en schriftgeleerden in de vorige twee gelijkenissen nog rechtvaardigen genoemd, hier werden ze afgunstig afgeschilderd. Want zij begrepen dondersgoed dat zij de oudste zoon waren uit het verhaal. We beginnen te merken hoe Jezus het gemopper van de Farizeeën verbindt aan een houding van verdienste. Zij hadden rechten opgebouwd door hun trouwe dienst, meenden ze. En daarom keken ze neer op de zondaars.

Maar Jezus was nog lang niet klaar. Hij vertelde nog een verhaal. We zijn nu aan het begin van hoofdstuk 16. Jezus richt Zich ditmaal tot zijn discipelen, maar wel op zo’n volume dat de Farizeeën en schriftgeleerden het konden horen (vs. 14). Hij begint met “er was een rijk man”, en dan volgt het verhaal van de rijke en zijn rentmeester. De rentmeester zou ontslagen worden, en hij ging onjuist om met de schatten van de rijke om zijn eigen hachje te redden. Ditmaal waren de Farizeeën de onrechtvaardige rentmeester, en dat begrepen ze zeer goed (vs. 14). Jezus verweet hen hier dat zelfs hun vermeende rechtvaardigheid en trouwe dienst in het geheel niet rechtvaardig en trouw was geweest.

Jezus raakt een gevoelige snaar, blijkt uit dat veertiende vers: “Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem.” (Luk. 16:14). Je ziet dat de gelijkenissen alsmaar grimmiger worden. Want hier laat Jezus hen weten dat hun geldzucht ze diskwalificeert als rentmeesters van “het ware goed”. Hoe geweldig ze zichzelf ook vonden, Jezus wist hun te vertellen: “Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God.” (Luk. 16:15).

Je kunt je voorstellen hoe de sfeer zal zijn geweest, na deze vier verhalen. Samengeknepen kaken en vuurspuwende ogen, als je het mij vraagt. Jezus verweet de Farizeeën dat ze hooghartig en afgunstig waren en Hij laakte hun geldgierigheid, en pas dan volgt het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus. Welke rijke man zou dat nou zijn?

En er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feest hield. En er was een bedelaar, Lazarus genaamd, vol zweren, nedergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken. Het geschiedde, dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn. En bij dit alles, er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen. Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen. – Luk. 16:19-31

Zie je hoe de gelijkenis al anders klinkt als je de setting en de inleiding goed hebt bekeken? Voor de gebruikelijke zienswijze – het idee dat Jezus het hier over de hel zou hebben – wordt vaak maar een klein gedeelte van het verhaal geïnterpreteerd. Dat deel heb ik in de tekst met cursieve letters aangegeven. Met vetgedrukte letters heb ik de details aangegeven die deze gelijkenis zo bijzonder maken. Zoals je ziet is de gelijkenis veel groter dan het cursieve deel, en worden veel van de details juist buiten het schuingeschreven stuk gegeven.

In de komende weken zal ik je laten zien wat ik denk dat deze details betekenen, en welke invloed dat heeft op de betekenis van het verhaal. Maar voordat ik het verklap kun je misschien zelf alvast eens zoeken naar de betekenis van purper en linnen in de bijbel, of hoe vuur en vlammen worden gebruikt, waar de naam Lazarus nog meer voorkomt, en welke bijbelse persoon vijf broers had. Als elk woord in de bijbel belangrijk is, dan zeker deze details. Speur je mee?

zieleheul

Dit is het laatste deel in een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste deel.

Ik heb nu al veel geschreven over dit onderwerp. Maar nog is niet alles gezegd. Immers, met alle bijbelse definities van ziel, dood en dodenrijk ga ik helemaal voorbij aan de vele geluiden van ervaringsdeskundigen. Als ik aantoon dat de hel niet bestaat, maar diverse mensen hebben ‘m wel gezien, wie heeft er dan gelijk? Als ik laat zien dat volgens de bijbel het leven ophoudt bij de dood, maar velen hebben bij een bijna-dood ervaring heel wat anders ervaren, wie heeft er dan gelijk? In dit laatste artikel zal ik proberen de eindjes aan elkaar te knopen. Want ik heb deze getuigenissen niet voor niets tot nu toe buiten beschouwing gelaten.

over-hoop

We hadden de vorige keer gezien dat onze ziel niet onsterfelijk is, zoals meestal wordt gedacht. Onsterfelijkheid is wel bijbels, maar het is niet voor ons, niet voor nu. Eens zal de dood teniet gedaan zijn en zal niemand meer sterven. Dan geldt het wel voor ons. Maar dat is toekomst. De misvatting dat wij nu al onsterfelijk zijn werd ons in de hof van Eden ingefluisterd:

De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. – Gen. 3:4,5

Dit zijn de woorden van de slang! Weten we heel zeker dat we onze theologie willen laten stroken met de streken van de satan? Ik weet dat ik het scherp stel, maar het is ook een belangrijk onderwerp, vind ik. Het onderschatten van de ernst van onze sterfelijkheid heeft directe gevolgen voor onze hoop: de opstanding.

Het ontkennen van de dood verkleint het probleem van ons heengaan tot een kwestie van huisvesting. Zo degradeer je onze Heer en Heiland van een Triomfator tot een makelaar! Onsterfelijk zij we immers al, Hij heeft slechts een beter onderkomen geregeld. Nee, goed beschouwd is zelfs dat mislukt. Want de bijbel zegt dat Christus gestorven is voor onze zonden. Als Christus toch niet écht gestorven is, hebben wij dus een groot probleem. Paulus is heel stellig:

Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften – 1 Kor. 15:3

Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. [...] en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.- 1 Kor. 15:13,17,18

Zonder dood geen opstanding uit de dood, en zonder opstanding zitten wij nog met onze zonden! Sterker nog, dan zijn wij verloren. Dus niet alleen de reputatie van onze Redder, maar heel onze redding staat op het spel! Begrijp je nu hoe kwalijk het miskennen van de dood is?

De leer van de onsterfelijke ziel maakt van de dood een vriend. Immers, zodra een gelovige sterft zal hij “naar de hemel gaan”, “worden bevorderd tot heerlijkheid”, en al zulke klinkende kerktaal. Maar de bijbel noemt de dood onze vijand! Natuurlijk hebben wij hoop die ons kan laten lachen door de tranen heen. Maar die hoop is niet gelegen in de dood, maar ná de dood, in de opstanding. De dood is vreselijk, niet vriendelijk.

Zo zie je maar, in meer dan één opzicht wordt onze hoop overhoop gehaald. En dat door iets zo ogenschijnlijk onschuldigs als een zienswijze over de ziel. Deze lering is een heidense (en volgens Genesis 3 oorspronkelijk satanische) leugen die is binnengeslopen in alle religies. Ook de christelijke.

malafide

Hieronder heb ik wat citaten verzameld uit de handboeken van het Spiritisme, de occulte stroming die halverwege de 19e eeuw de wereld veroverde met allerlei bovennatuurlijke manifestaties. Denk aan kloppende en knipperende huisraad of seances zoals die van TV bekendheid Derek Ogilvie. Het Spiritisme staat voor de volgende hoofdzaken:

  • Na de dood van het aardse lichaam leeft de menselijke persoonlijkheid voort zonder direct principiële innerlijke veranderingen te ondergaan.
  • Onder bepaalde voorwaarden is contact met de geesten van doden mogelijk.

De zienswijzen van Allan Kardec, de schrijver van de handboeken, zijn tot stand gekomen via contact met “de Geesten”, door ze talloze vragen te stellen. Dat “de Geesten” gretig gebruik maakten van de gelegenheid om gehoord te worden blijkt wel uit de lijvige volumes die Kardec schreef. Om zijn Spiritistische leer te verdedigen in het overwegend christelijke Europa schrijft hij onder andere:

het voornaamste is dat het onderwijs van de geesten bij uitnemendheid Christelijk is, want zij is gegrond op de onsterfelijkheid van de ziel, op de toekomstige straffen en beloningen, op Gods rechtvaardigheid, op de vrije wil van de mens en op de zedenleer van Christus, en is dus niet ongodsdienstig. – het Boek der Geesten (hoofdstuk 5)

er zal een dag komen, op welken alle de zoo verschillende godsdiensten wat den vorm betreft, maar die werkelijk in het wezen op één en hetzelfde grondbeginsel: God en de onsterfelijkheid der ziel, berusten, als de rede over de vooroordeelen zal gezegevierd hebben, zich allen in eene oneindig groote eenheid zullen oplossen. – Genesis (hoofdstuk 1 punt 8.)

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar ik krijg hier jeuk van. Dat zo’n occulte stroming zich kan verdedigen met christelijke dogma’s als hun fundament! En dat juist de onsterfelijkheid van de ziel het christendom laat harmoniëren met de andere religies. Ik meende dat het christendom zich onderscheidt van de overige godsdiensten. Als een tegenstander zo gewillig instemt, weet je dan wel heel zeker dat je gegevens kloppen? Is ons zieleheil geen zieleheul geworden?

waar-schijn

En dan de getuigenverslagen. Ik ken ze natuurlijk ook wel, de verhalen van christelijke boekenschrijvers die een blik hebben mogen werpen in het hiernamaals. Ik heb de video’s gezien waarin mensen aan het woord zijn die een bijna-dood-ervaring of een visioen hebben gehad. Mensen die zeggen dat ze de zielen van overleden hebben gezien in de hemel of de hel. Maar al hoe overtuigd deze mensen ook zijn van hun eigen ervaringen, maakt dat die ervaringen waarheid? Waarom moeten we hen serieus nemen, en niet de mensen die beweren dat ze Elvis Presley hebben gezien, om maar wat te zeggen?

Dit is een serieuze vraag. Ik trek de echtheid niet in twijfel, maar wel de waarheid. Zijn onze ervaringen wel objectief? Iedereen in de rechtsgang weet dat zelfs ooggetuigen niet zuiver weergeven maar ook interpreteren en soms zelfs interpoleren. Zeker wanneer we verder terug in de tijd moeten, kan ons brein de herinneringen aanvullen en aanpassen om te kloppen met wat we meenden (interpreteerden) te zien. En onze interpretatie heeft alles te maken met ons beeld van de werkelijkheid, toch?

Stel, je ziet in je ooghoek een voorval waarvan je later hoort dat het een misdrijf was. Zal het onduidelijke voorwerp in de hand van de rennende man in onze herinnering dan niet een wapen kunnen worden? Terwijl het in feite misschien wel de telefoon was van een toesnellende omstander. We interpreteren op basis van de informatie die we hebben. Missende gegevens kunnen dus leiden tot misse interpretatie. Zo is het ook met deze ervaringen, volgens mij. We missen de meeste aanwijzingen van de verschillende helwoorden in de bijbelvertalingen. En we missen de meeste gegevens van de tijdperken in de bijbelvertalingen. We missen de verschillen tussen de boodschap van Petrus en die van Paulus in de verkondiging. En zo zijn er nog wel meer dingen voor velen onbekend. Dat heeft invloed op ons beeld van de werkelijkheid, en dus ook op onze ervaringen.

Wanneer we geloven in, gelezen hebben over, of in een ver verleden zelfs maar gehoord hebben van een eeuwige hel, zal die ervaring zich ook aan ons kunnen opdringen in de ongewisse omzwervingen van ons bewustzijn in de slaap, een coma of een bijna-dood ervaring. Of misschien zijn er geestelijke machten die ons bewustzijn beïnvloeden. De ervaring is misschien wel echt, maar niet beslist waar. De ervaringen van Allan Kardec zullen ook echt zijn geweest. Zonder twijfel zelfs waargebeurd – er zijn immers heel wat geesten de hemelse gewesten (Ef. 6:12). Maar zijn zijn bevindingen daarom ook waar? De tekst spreekt van boze geesten. Reken maar dat die maar al te graag verwarring willen zaaien. Wie of wat bepaalt eigenlijk wat wij geloven?

We kunnen toch, als het er op aankomt, alleen maar bouwen op “er staat geschreven”? Dat alleen kan ons verder brengen in de waarheid. Niet een video of een boek van een zinnebeeld, maar hét Boek van hét Beeld. En met alles wat ik in de Bijbel heb kunnen vinden over de dood, kan ik niet anders dan concluderen dat dat boek ons leert dat leven leven is en dood niet.

naschrift

In mijn zoektocht door de bijbel werd ik even in verlegenheid gebracht. Ik heb steevast beweerd dat het dodenrijk niet een schimmenrijk is, en dat de doden niet leven. En plotseling stuitte ik op de volgende bijbeltekst:

Het dodenrijk beneden is over u in beroering om u bij uw komst te ontmoeten; het wekt de schimmen voor u op, al de bokken der aarde; het doet alle koningen der volken van hun tronen opstaan. – Jes. 14:9

En een korte zoektocht leerde me dat schimmen wel vaker voorkomen in de bijbel (althans, in de NBG en NBV vertaling). Zat ik er dan toch naast? Moest ik beginnen aan een erratum? Een blik op de grondtekst laat zien dat het Hebreeuwse woord achter de schimmen rephaïm is. En die term kennen we al van Genesis (Gen. 14:5 | Gen. 15:20). Het is de naam van een stammen van de Nephilim, de machtige reuzen (Deut. 2:11) die voortkwamen uit de omgang van Zonen Gods met de mensenvrouwen (Gen. 6:4). Uit die bijligging kwamen de Enakieten voort, de krijgers zoals Goliath, maar ook de Rephaïm.

En Jozef gebood zijn dienaren, de geneesheren [rephaïm], zijn vader te balsemen; en de geneesheren balsemden Israël. – Gen. 50:2

Jakob, de vader van Jozef, was gestorven in Egypte. De term rephaïm wordt hier weergegeven met ‘geneesheren’. Geneesheren houden zich in de regel bezig met de levenden, maar deze Rephaïm bemoeiden zich juist met de doden. Het balsemen van een dode is een bekend Egyptisch ritueel, een gebruik dat te maken hadden met het voortbestaan na de dood. De onsterfelijke ziel dus! In de dagen van Jozef had deze leer blijkbaar al wortel geschoten in de Egyptische godsdienst. De Joden waren niet bekend met dat gebruik, want zij begroeven hun doden. Ook uit vers drie blijkt dat de Joden de rituelen niet kenden, want daar wordt uitgelegd hoe lang zo’n balseming duurt. Waren ze bekend geweest met de gebruiken en de achterliggende leer, dan was die uitleg toch overbodig.

[Opmerkelijk detail: de oude Egyptische geschriften hebben een heel gedetailleerde beschrijving van het hiernamaals. Ook bevatten ze een voorstelling van een vurig oord voor de veroordeelden, dat opmerkelijke overeenkomsten heeft met de hel zoals de kerk ons die voorspiegelt. Toeval?]

Dus de geneesheren, de Rephaïm waren geen gewone medici, maar een soort medicijnmannen. Zoals de Enakieten zich toelegden op de zwaardkunst, zo hebben de Rephaïm zich bekwaamd in de zwarte kunst. Ze waren afgodspriesters.

De bijbel vertelt van het ziekbed van koning Asa aan het einde van zijn leven:

In het negenendertigste jaar van zijn regering werd Asa ziek aan zijn voeten en zijn ziekte werd hoogst ernstig. Doch zelfs in zijn ziekte zocht Asa geen hulp bij de HERE, maar bij de heelmeesters [rephaïm]. – 2 Kron. 16:12

Waren deze heelmeesters gewone doktoren geweest, dan zou dit toch niet zo’n groot vergrijp zijn geweest? Het is toch juist verstandig om bij kwalen gekwalificeerde medici te raadplegen. Al wordt deze tekst wel gebruikt door gebedsgenezers om te laten zien dat we voor elke kwaal enkel bij God mogen aankloppen, de essentie van het vergrijp ligt veel dieper. Deze heelmeesters waren Rephaïm. Asa wendde zich tot de afgoden, in plaats van tot zijn eigen God! En dát is wel een groot vergrijp.

De bijbel vertelt dat de Rephaïm uiteindelijk volledig van de aardbodem zijn weggevaagd:

Doden herleven niet, schimmen [rephaïm] staan niet op; daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle gedachtenis aan hen uitgeroeid. – Jes. 26:14

Net zoals er na de zondvloed nog Enakieten zijn geboren (zoals Goliath), hebben de Rephaïm ook na de zondvloed nog bestaan. Maar ze zijn uiteindelijk uitgeroeid. Ze zijn ook vrijwel helemaal uit de gedachtenis verdelgd. Zelfs in onze vertalingen is bijna elke notie van hen verdwenen door vertaalwoorden als ‘schimmen’, ‘doden’ en ‘geneesheren’ te gebruiken. Maar de vertaling ‘schimmen’ is een suggestieve weergave die alleen maar tot onbegrip leidt (en van onbegrip spreekt, als je het mij vraagt). Want de schimmen zijn ook doden.

Al zijn de Rephaïm gestorven, hun erfenis heeft tot vandaag de dag grote invloed. De grondslagen van het occultisme zijn op hen te herleiden, en deze weerklinken in alle wereldreligies. Ook het christendom. En net als de Egyptenaren komt het christendom uit op een hiernamaals van heil voor de heiligen en ellende voor de ellendelingen. Want het heeft ook de leer van de onsterfelijke ziel omarmd. En als je de essentie van de dood niet erkent kom je onherroepelijk uit op ongerijmdheden als levende doden.

De ziel is niet onsterfelijk. En dood is niet leven. Het hiernamaals is niet in de dood, maar na de dood, in de opstanding. Dat is toch juist wat we in deze tijd van Pasen vieren. Christus is gestorven. Hij was dood. Maar Hij is opgestaan! Niet omdat Hij zich vanuit de schimmenwereld terug naar boven heeft geworsteld, maar omdat God Hem heeft opgewekt. En omdat de dood Christus niet kon houden, zal de dood uiteindelijk niemand meer kunnen houden. De tegenpool van het leven zal eens verzwolgen worden in de overwinning. Want het leven is sterker gebleken dan de dood.

Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. – 1 Kor. 15:20-22

En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? – 1 Kor. 15:54,55

Wat een horizon! Allen zullen levendgemaakt worden. Al moeten we onze geliefden nu prijsgeven aan de dood, eens zullen we hen weerzien. Want ze zullen niet dood blijven. Dát is onze hoop! En als je het niet erg vindt zeg ik nu even niks meer, en ga ik in stilte genieten van dat vergezicht…

<< vorige

ziel-loos

Dit is het zesde deel in een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste deel.

We hebben nu al een aantal belangrijke gaten gevonden in de theologie omtrent de dood en het dodenrijk. Natuurlijk valt dat het toneelgezelschap niet aan te rekenen. Zij geven gewoon weer wat de algemene visie is. Maar ik hoop dat je hebt gezien dat er op die visie nogal wat aan te merken is. Ik had het ook anders kunnen aanpakken. Als ik de serie was begonnen met dit artikel, dan had ik de rest niet meer hoeven schrijven. Maar dan hadden we er veel minder van geleerd. Vandaar dat ik de belangrijkste pijler bewaard heb voor het laatst. Het toneelstuk (en de theologie) steunt op één fundamentele aanname: mensen hebben een onsterfelijke ziel. Immers, pas dan wordt de vraag belangrijk waar die ziel naar toe gaat wanneer het lichaam sterft. Maar klopt die aanname, of is er ook wat met de ziel loos?

In de andere artikelen kwam ik eigenlijk steeds uit op dezelfde slotsom: dood is dood. Maar daarbij heb ik de ziel nog vrijwel geheel buiten beschouwing gelaten. Alleen in het vorige artikel heb ik een verband gelegd tussen de ziel en het dodenrijk. We hadden ook al gezien dat de betekenis van hades, de Griekse term die schuilgaat achter het dodenrijk, ‘onzichtbaar’ betekent.  Maar dat kan toch ook gewoon betekenen dat de ziel uit het zicht verdwijnt van hen die op aarde achterblijven? Dat de ziel is onzichtbaar is voor ons? Het hoeft toch niet beslist te betekenen dat de ziel ophoudt te bestaan? Wat is de ziel eigenlijk? Laten we verder speuren naar wat de bijbel ons vertelt over dit ongrijpbare onderdeel van ons gestel.

sympressie

Allereerst, niet alleen de mens heeft een ziel. Ook dieren hebben er een. Kijk maar eens mee naar de volgende verzen (ik zal in dit artikel voornamelijk uit de Statenvertaling citeren, omdat die in de meeste gevallen het Hebreeuwse woord voor ziel ongeïnterpreteerd weergeeft):

En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. – Gen. 1:20,21 SV

En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. – Gen. 1:24 SV

Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo. – Gen. 1:30 SV

We zien dat de ziel bij de dieren wordt verbonden met kruipen, wemelen en wremelen. Beweging, actie, merkbare levenstekens. Wanneer er over de menselijke ziel wordt gesproken komen we nog een paar kenmerken op het spoor:

Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons. – Gen. 42:21 SV

dewijl uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult gij vlees eten, naar allen lust uwer ziel. – Deut. 12:20b SV (zie ook vs. 15 en 21)

Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel. - Job 10:1 SV

Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? – Pred. 2:24 SV

Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet. – Spr. 27:7 SV

Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven [ziel], wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven [ziel] niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? – Mat. 11:13 SV

Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; – Mat 11:28,29

Benauwdheid, verdriet, bitterheid, genieten, honger, bezorgdheid, vermoeidheid, last en rust, het zijn allemaal gevoelstermen. De ziel spreekt dus niet alleen van leven, maar van doorleven – de emotionele weerslag die het leven op ons heeft. Niet alleen het bestaan en bewegen, zoals bij de dieren, maar ook het beschouwen en beleven. Kortom, de ziel behelst alle merkbare levenstekens, van beweging tot bewogenheid.

[Opmerkelijk detail: Ook van God gezegd wordt gezegd dat Hij een ziel heeft (Ri. 10:16 SV). Vanwege de breedte die het woord heeft, is dat ook niet verwonderlijk. Ook God voelt, ook Hij is bewogen.]

Natuurlijk zijn er genoeg teksten te vinden die niet zo’n duidelijk verband tonen tussen de ziel en beweging, zintuigen of bezinning. Maar dat komt vanwege de omvang van het woord. Immers, we hadden al gezien dat de ziel soms aan het leven, en soms aan de hele mens wordt gelijkgesteld. Je zou kunnen zeggen dat de ziel de expressie van het leven is. Alles waarmee het leven zich aan de omgeving presenteert. Tegelijk is de ziel ook de impressie die het leven op ons heeft. Onze reactie op en ons bewustzijn van onze omgeving en omstandigheden. Om het in één (niet-bestaand) woord te vangen: de ziel is de sympressie van het leven.

Vergelijk het met een computer. De kast met alle knoppen en aansluitingen is als de stof, en de stroom is als de geest. Je kunt drukken of inpluggen wat je wilt, de computer zal er pas op reageren als er stroom loopt. Deze reactie op de knoppen of aansluitingen kun je vergelijken met de ziel. Het reactievermogen is niet een onderdeel van de computer dat je kunt aanwijzen, maar wel een merkbaar gevolg van de stroom die door de kast loopt.

ontzield

Al is de ziel een ongrijpbaar ding, door te zien waar de ziel mee geassocieerd wordt, hebben we ons er toch een beeld van kunnen vormen. Maar de vraag was: is de ziel onsterfelijk? De meeste theologen zullen grif toegeven dat de onsterfelijkheid niet betekent dat de ziel er altijd al was. Immers, we hadden bij de schepping van Adam gezien dat de ziel werd. Maar, zeggen ze dan, nadat de ziel geschapen is, kan hij niet meer dood. Klopt dat met wat we in de bijbel over de ziel vinden?

In één woord: nee. In Mat. 10:28 wordt gezegd dat God de ziel kan verderven. Maar goed, God kan alles. Als dat de enige tekst zou zijn waar de ziel wordt gezegd te sterven, zou ik niet zo resoluut zijn. Als we het Hebreeuwse en Griekse woord voor ziel volgen in de bijbel, komen we namelijk nog veel meer tekstplaatsen tegen waar de ziel wordt gezegd te sterven. Ik geef er enkele:

Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne! – Num. 23:10 SV

Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor ulieden om te sterven [...] – Joz. 2:14a SV

Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij; de ziel die zondigt, die zal sterven. – Ez. 18:4

Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; – Ps. 56:14a

Dus de onsterfelijkheid van de ziel is volledig vreemd aan de bijbel. En zeg nou zelf, het zou ook merkwaardig zijn als de bijbel ons onsterfelijkheid aanmeet. Want hét probleem dat ons Adamieten aankleeft is nu juist onze sterfelijkheid.

Veel evangelisatiediensten worden gekenmerkt door de vraag “waar ga jij heen als je sterft”, maar dat is een volstrekt onbijbelse vraag. Ons probleem is niet waar we heen gaan, maar dat we heengaan. We sterven. Een betere vraag is deze: “Als een mens sterft, zou hij herleven?” – Job 14:14. Zonder opstanding is onze situatie uitzichtloos. Maar Christus is opgestaan! Hij heeft onvergankelijk leven aan het licht gebracht. Dus het antwoord op de vraag van Job is: “Ja, een mens zal herleven!” en niet: “Mallerd, je hebt toch een onsterfelijke ziel!”.

Op dit moment is er maar één Persoon onsterfelijk.

onze Here Jezus Christus, [...] die alleen onsterfelijkheid heeft – 1 Tim. 6:14b,16a

Toegegeven, dit is een lastige passage. Een andere lezing is dat God alleen onsterfelijk is. Ook prima. Het gaat me om het woordje ‘alleen’. Eén Persoon is onsterfelijk. En dat zijn wij niet.

uitzicht

De ziel gaat dus niet uit het zicht, de ziel gaat uit. Maar gelukkig is dat niet de eindstand. De opstanding van Christus betekent dat allen zullen opstaan. Dát is ons uitzicht:

Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. – 1 Kor. 15:20-22

Omdat Christus is opgewekt uit de dood, zullen de andere ontslapenen ook worden opgewekt. Er staat niet: “zo zullen ook in Christus allen een nieuw lichaam voor hun ziel krijgen”. Er staat dat we levend gemaakt zullen worden. Om levend gemaakt te worden moet je eerst … dood zijn. Dus ook nu kom ik weer uit bij de inmiddels bekende slotsom: dood is dood.

<< vorige volgende >> 

doodgewoon

Dit is het vijfde deel van een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste artikel.

Als er één ding duidelijk is geworden tot nu toe, is het dat er weinig gewoon is aan de dood. Althans, dat er over de dood ongewoon divers gedacht wordt. Een bekend gezegd is: “know your enemy”. De dood is onze laatste en dus meest hardnekkige vijand (1 Kor. 15:26), maar het lijkt erop dat hij ons kennen tot dusver ontglipt. Mensen die niet in God of het hiernamaals geloven zullen zeggen dat de dood het einde is. Mensen met een godsbesef, los van welke religie ze aanhangen, zullen vaak zeggen dat de dood een overgang is van het aardse naar het hemelse. Wat ze dan ook maar onder het hemelse verstaan. Ook het christendom bevindt zich op een enkele stromingen na in het overgang-kamp. Maar is dat terecht? Laten we onderzoeken hoe de bijbel de dood beschrijft.

analyse

Soms is het handig om een term te beschrijven met zijn tegenover. De bijbel werkt vaak met contrasten, en de uitersten verduidelijken elkaar. Ik citeerde de vorige keer al een tekst uit Openbaring:

De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. – Op. 20:5

Maar ook deze tekst uit het Oude Testament is veelzeggend:

Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw. De levende, de levende, hij looft U, zoals ik heden doe; de vader maakt zijn zonen uw trouw bekend. – Jes. 38:18,19

De dood wordt weergegeven als niet-leven, als tegenover van het leven. Om te begrijpen wat de dood is, kunnen we dus eerst onderzoeken wat leven is. En waar kunnen we beter beginnen dan bij het verhaal van de wording van de eerste mens, Adam. Laten we zien hoe zijn levendmaking wordt beschreven. Ik zal de Statenvertaling citeren omdat die de originele woorden niet versluiert:

En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel. – Gen. 2:7 SV

Deze ene tekst is zo rijk aan betekenis. We leren allereerst dat de mens uit drie onderdelen bestaat. Aarde, adem en ziel. Maar we zien ook dat de ziel het gevolg is van de adem die in het stof der aarde werd geblazen. De ziel was er niet voordat Adam werd geschapen, de ziel werd. Je zou kunnen zeggen dat de mens een samengesteld geheel is, bestaande uit twee hoofdonderdelen. Het derde bestanddeel, de ziel, is een product van de eerste twee.

Vergelijk het met twee stukken gekleurd glas, een rode (aarde) en een blauwe (adem). Als je deze twee op elkaar legt zie je ineens een derde kleur: paars (de ziel). Deze kleur bestaat niet zelfstandig, maar is een gevolg van de combinatie van de andere twee. Haal de stukken glas weer van elkaar af, en de paarse kleur is weer verdwenen.

Nu stelt de tekst uit Genesis 2 de mens gelijk aan de ziel (de mens werd een levende ziel). Vandaar dat het Hebreeuwse woord voor ziel ook vaak wordt begrepen (en vertaald) als de hele mens. En dat is prima, als we maar beseffen dat de mens meer is dan de ziel. Soms wordt het woord ook vertaald met ‘leven’. Ook niks mis mee, want bij het blazen van de levensadem werd de mens een levende ziel. De ziel en het leven zijn eender.

Hoe dan ook, de bijbel laat het leven zien als een soort samenvoeging, een synthese. Met die kennis kunnen we ons richten op de betekenis van de dood. Wat gebeurt er wanneer een mens sterft? Paulus noemt het een ‘ontbinding’.

Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. – 2 Tim. 4:7

Het Griekse woord voor ontbinding is analusis – een analyse. Zoals de levendmaking een synthese is, een samenvoeging, zo is het sterven een ontbinding, een uitelkaar vallen, een analyse.

terugkeer

De bestanddelen worden dus weer van elkaar gescheiden. Onze vraag wat er met de mens gebeurt bij zijn sterven is dus eigenlijk drieledig. Wat gebeurt er met de aarde (het lichaam), de adem (de geest – Gen. 7:22), en de ziel? De bijbel spreekt van een terugkeer van de hoofdbestanddelen. Beide keren ze terug naar hun oorspronkelijke staat. De stof keert terug naar de aarde, zoals we bij elke begrafenis horen:

in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. – Gen. 3:19

En de geest keert terug naar de Gever, God.

en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft. – Pred. 12:7

Maar wat gebeurt er met de ziel? Gaat de analogie hierboven nog op? Als we de gekleurde glazen van elkaar afhalen, is de paarse kleur weer verdwenen. Maar is dat ook hoe we de ziel kunnen begrijpen?

Alleen de ziel wordt in verband gebracht met het dodenrijk (Ps. 86:13 | Ps. 89:49 | Hand. 2:27). Zoals we hierboven al hadden gezien wordt soms de ziel gelijkgesteld aan het leven. Of soms zelfs aan de hele mens. Dus de bijbel vertelt ook dikwijls dat iemand naar het dodenrijk gaat. De geest wordt nooit in verband gebracht met het dodenrijk. Dat zou ook merkwaardig zijn, want we hadden al gezien dat de geest een andere bestemming heeft.

En nu komt de woordstudie van de vorige keer van pas. In het vorige artikel heb ik laten zien dat het dodenrijk een vertaling is van Griekse en Hebreeuwse woorden die een onzekerheid, een onzichtbaarheid in zich hebben. De ziel gaat niet ergens heen, hij verdwijnt. En dat is in feite ook een terugkeer! Immers, voordat God Zijn adem gaf, was de ziel er nog niet. De ziel werd. Eerst was de ziel onmerkbaar. Hades. En na het sterven is de ziel weer in hades.

En zo is een opmerkelijke uitspraak van David in Psalm 9 ineens rijk aan inzicht:

De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel [het dodenrijk] toe, alle godvergetende heidenen. – Ps. 9:18 SV

Dit is een citaat uit de Statenvertaling, die het dodenrijk nog dikwijls weergeeft met de hel. Maar deze vertaling laat het woord ‘terugkeren’ onverholen staan. Latere vertalingen hebben het woord voor “terugkeren” vertaald met een veel algemener “omkeren” of “weggaan”. Maar het is precies het zelfde woord als in Gen. 3:19 werd gebruikt (“tot stof zult gij wederkeren”). En ook in deze teksten is dit woord met ‘wederkeren’ vertaald: Ps. 104:29 | Ps. 146:4 | Job. 10:9 | Pred. 12:7 | Richt. 15:19 | 1 Kon. 17:21.

Het is niet onbegrijpelijk dat de jongere vertalingen deze tekst hebben aangepast. Immers, in de gebruikelijke visie is het dodenrijk het verblijf geworden van de ongehoorzamen, de goddelozen. En daarvoor kwalificeer je pas ná je leven, niet ervoor. Maar met het inzicht in de grondbetekenis van het woord hades, de term achter het dodenrijk, is deze weergave van de Statenvertaling juist uiterst nauwkeurig. Ook de ziel keert terug naar zijn vorige staat: hij verdwijnt.

En zo is de analyse volledig. Alle elementen die samen een mens vormen vallen uiteen. Ze vervallen naar hun oorspronkelijke toestand. De dood is niet een overgang, maar eerder een ondergang. We gaan niet ergens heen, we vergaan. Ons lichaam naar het stof, onze adem naar God en onze ziel naar hades. Hoe ingewikkeld we het soms ook maken, dood is doodgewoon dood.

<< vorige  volgende >>

gewoon-weg

Dit is het vierde deel van een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste artikel.

Het lastige met onderwerpen als de dood en de hemel is dat ze zo vast geworteld zitten en zo algemeen geaccepteerd zijn. Deze dingen bevraag je simpelweg niet. Iedereen weet toch dat de dood niets anders is dan een overgang. Van het aardse, tijdelijke naar het geestelijke, eeuwige. Als kind heb je al geleerd dat een overleden familielid “in de hemel is”. En dingen waarvan je sinds je kinderjaren overtuigd bent, zijn het moeilijkst los te laten. Die neem je gewoonweg aan.

Het idee dat je ergens heen gaat als je sterft is voor dus velen geen geloof meer maar een gegeven. Ik heb al eerder laten doorschemeren dat ik denk dat het dodenrijk niet een plaats maar een status is. Net als bij MSN of Skype: naast online, offline en bezet heb je ook ‘away’: afwezig of gewoon: weg. Daarmee zeg je niet dat je ergens anders bent, maar dat je ergens niet bent. Groot verschil.

In andere artikelen heb ik je al laten zien dat gedurende de tijd dat de Statenvertaling de meest gelezen bijbelvertaling was, zowel het Hebreeuwse als het Griekse woord voor dodenrijk werd vertaald met ‘hel’. Daar is men op teruggekomen. Zo zeker was de betekenis van de oorspronkelijke woorden kennelijk niet. En dat wekt uiteraard mijn nieuwsgierigheid. Hoe zeker zijn we van de huidige weergave?

Wanneer de Nederlandse vertalingen spreken van het dodenrijk schuilt daarachter in de grondtekst het Griekse woord ‘hades’. Althans, in het Nieuwe Testament. In het Oude Testament is dit het Hebreeuwse woord ‘sheol’. Maar wat betekenen deze woorden? Moeten we er wel een bewaarplaats voor de zielen in lezen? Een soort wachtkamer voor het eindoordeel?

Verschillende bronnen zullen bevestigen dat de grondbetekenis van sheol iets van een vraag in zich heeft. Een onzekerheid. Oorspronkelijk kende het Hebreeuws geen klinkers, en wanneer je de klinkers uit het woord sheol weghaalt, houd je sh’l over, het Hebreeuwse woord voor ‘vragen’. Als iemand stierf en naar sheol ging, zei je in feite: hij gaat weet-ik-waarheen.

De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament uit de tijd van Jezus, heeft steevast het woord hades gebruikt om sheol mee te vertalen. Dus we moeten dat Griekse woord kennelijk verstaan zoals we het Hebreeuwse woord sheol verstaan. Maar het woord hades heeft in de Griekse mythologie ook een behoorlijke geschiedenis. Volgens de Grieken was Hades de god van de onderwereld. Later werd zowel de godheid als zijn onderwereld aangeduid met het zelfde woord: hades. Het feit dat de huidige vertalingen kiezen voor de weergave ‘dodenrijk’ betekent op zijn minst dat we de Griekse mythologie hebben laten meewegen in de woordkeus. Maar sinds wanneer bepalen de Grieken hoe wij onze bijbel moeten verstaan?

We kunnen toch beter uitgaan van de betekenis van de Hebreeuwse term sheol? Immers, bij vertaling is het zaak de betekenis van de oorspronkelijke tekst zo goed mogelijk weer te geven in de vertaling. De betekenis van de vertaling is gelegen in het origineel, niet andersom. Dus ook al had het Griekse woord ook een betekenis in de heidenwereld, bij het verstaan van de bijbel is dat nauwelijks van belang. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord is bepalend. En dat woord betekent niet ‘onderwereld’ maar ‘onbekend’.

Als we de mythologie even naast ons neerleggen en slechts kijken naar de elementaire betekenis van het woord hades, wordt alles een stuk duidelijker. Een analyse van het woord hades geeft de elementen a-(i)des. En dat betekent niet-zien! De reden dat hades een geschikt vertaalwoord bleek voor sheol is niet gelegen in de Griekse mythologie, maar in de essentie van het woord. Ook hades heeft een ingebouwde onzekerheid, een niet-weten. Sheol betekent ‘onbekend’ en hades betekent ‘ongezien’. Gewoon weg.

Laten we eens kijken wat deze onzekere onderstroom ons oplevert wanneer we de teksten bezien waar van het dodenrijk wordt gesproken. De opbrengst zal natuurlijk veel minder opzienbarend zijn dan wanneer we een eeuw geleden zouden leven. Toen was de Statenvertaling de meest gelezen bijbel, en zou er niet ‘dodenrijk’ maar ‘hel’ hebben gestaan. En net zoals hades bij de Grieken heeft de hel in ons taalgebied een beetje een moeilijke jeugd gehad.

De eerste keer dat het dodenrijk genoemd wordt in het Nieuwe Testament is in een profetie van Jezus. Hij sprak tot de stad Kapernaüm de volgende woorden:

En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk [ongeziene] zult gij nederdalen; want indien in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden. – Mat. 11:23 (zie ook Luk. 10:15)

Dit lijkt wel een doodvonnis over de inwoners van deze stad. Echter, nergens staat dat ze stierven. Natuurlijk zal iedere inwoner zijn laatste adem eens uitblazen. Maar dat is geen vonnis, dat is een feit. Iedereen sterft een keer, daar hoeft Jezus hen niet aan te herinneren. Dus wat bedoelde Jezus dan? Was het een vonnis naar het nare deel van het dodenrijk per de traditionele zienswijze (mocht je nog niet overtuigd zijn van de onhoudbaarheid van die visie)? Onwaarschijnlijk, en bovendien ongedaan gemaakt. Immers, Jezus zei: “Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34). Zou dit pardon hebben gegolden voor alle opstandige volksgenoten behalve Kapernaüm? Dat moet haast wel, want anders zou de profetie van onze Heer niet uitkomen. Of voorzegde Jezus heel wat anders?

Als we de omliggende teksten bezien, worden daar verschillende steden aangesproken, waaronder Sodom. Of beter: het land van Sodom (vs. 24). Deze landstreek heeft een huiveringwekkende historie, eindigend in volledige vernietiging. Niet alleen de mensen bestierven het, op de dag dat Lot vluchtte. Heel de stad, nee zelfs de landstreek werd verwoest, die dag. En tot op de dag van vandaag is er geen spoor meer van de stad of de streek te vinden. Weg. Niet meer te zien. Hades. En wie een eeuw geleden op zoek zou zijn gegaan naar de stad Kapernaüm zou tot de zelfde conclusie komen. De stad was er niet meer. Weg. Hades. Van de zevende tot de twintigste eeuw was de stad spoorloos. Dat is meer dan een millenium! Pas aan het begin van de vorige eeuw zijn de ruïnes van de stad blootgelegd. Jezus sprak dus wel degelijk profetische woorden. Maar dan moeten we de tekst ruimer begrijpen dan de vertaling ‘dodenrijk’ suggereert. Niet alleen de inwoners zijn gestorven, heel de stad was lange tijd in hades!

In Mattheüs wordt nog eens van het dodenrijk gesproken:

En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk [ongeziene] zullen haar niet overweldigen. – Mat. 16:18

De poorten waren vanouds de plaatsen van waaruit de bestuurders een stad regeerden. Deze poorten hebben dus te maken met de overheden en machten van het dodenrijk. De gebruikelijke vertaling zou ons doen denken dat het hier alleen gaat om deze specifieke machthebbers. Alleen de heersers van het dodenrijk zouden tegen de gemeente gekant zijn. Maar dat is merkwaardig, want hordes duistere machten zullen zich weldra tegen de heiligen keren. Niet slechts een paar.

Als we hier lezen: de poorten van het ongeziene, ofwel de onzichtbare overheden en machten (zie ook Ef. 6:12), wordt wordt de volle omvang van de uitspraak van Jezus duidelijk. Jezus lijkt hier Jes. 28:18 te citeren (lees vanaf vers 12), waar het verwachte Messiaanse Koninkrijk wordt voorzegd. En de komst van het Koninkrijk is het hoofdthema van het boek Openbaring. Hierin staat duidelijk beschreven hoe Satan diverse heerschappen zal inzetten in de strijd tegen de gemeente (zie bijvoorbeeld Openbaring 12 en 13). Niet slechts die van het dodenrijk, maar allerlei ongure types.

De laatste tekst in de Evangeliën waar het dodenrijk voorkomt is de passage van de rijke man en de arme Lazarus. Hier wordt hades gebruikt in het verband van de dood van mensen. Dat levert geen merkwaardigheden op, want zo gebruiken we het woord meestal. In Handelingen wordt nog twee keer van het dodenrijk gesproken (Hand. 2:27 en Hand. 2:31) in het verband van het sterven en de opstanding van onze Heer. Ook deze passages zullen dus geen nieuwe invalshoeken opleveren. De resterende keren dat het woord voorkomt vinden we in het boek Openbaring (Op. 1:18, Op. 6:8, Op. 20:13,14). Dit is echter een boek vol symboliek en personificatie, geen plek om op zoek te gaan naar strikt woordgebruik. Als we er al iets uit kunnen halen is het dat het dodenrijk vaak doelt op een macht, een heerser. Geheel in lijn met het voorgaande over de onzichtbare overheden.

Zie je dat de vertaling van hades met dodenrijk niet volledig dekkend is? Het is een prima vertaling, als het over mensen gaat. Bedenk dan alleen dat de onderliggende definitie een onzekerheid of onzichtbaarheid in zich heeft. Dat behoedt ons voor kruisbestuiving vanuit heidense mythologie en levert niets in op ons begrip van de tekst. De winst die we met deze woordstudie boeken lijkt misschien een beetje karig. Maar de echte waarde zal blijken in het volgende artikel, waar ik zal uitdiepen wat de dood naar bijbelse begrippen eigenlijk is.

<< vorige  volgende >>

op-tocht?

Dit is het derde deel van een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste artikel.

In het toneelstuk werd voorgesteld was dat Jezus de zielen in de coole dood, het aangename deel van het dodenrijk, meenam naar de hemel. Een grote op-tocht, zeg maar. Vroeger kwamen alle doden, goede en slechte, in dezelfde plaats terecht. Volgens de traditie dan wel met een speciale first-class voor de rechtvaardigen, maar de postcode was het zelfde. Toen Jezus de duivel had overmeesterd en de sleutels van het dodenrijk had bemachtigd werd alles anders. Jezus mocht intree nemen in Zijn Hemelse woning, en de goede doden mochten mee. Een prachtig verhaal. Je zou haast denken dat het écht zo gegaan is.

Laten we eens kijken op welke teskstplaatsen dit verhaal leunt. Je zult zien dat de theologie die hierachter schuilt opmerkelijk dun is. Omwille van de speurtocht houden we geen rekening met de vondsten van de vorige keer, dat het dodenrijk helemaal geen twee gedeelten heeft. We beginnen met een schone lei en proberen de houdbaarheid van deze voorstelling te onderzoeken.

grondwerk

Als je een theoloog zou vragen wat er bij de dood en opstanding van Jezus allemaal heeft plaatsgevonden, zou het antwoord bijvoorbeeld zo kunnen klinken:

“Het dodenrijk was de bestemming voor ieder die stierf. Daar is het Oude Testament duidelijk over. Het is dan ook merkwaardig dat Jezus voor zijn dood aan de misdadiger beloofde: “heden zult gij met mij in het Paradijs zijn” (Luk. 23:43). Kennelijk wist Jezus dat er een verandering op handen was, want het Paradijs is heel wat anders dan het dodenrijk. Maar die verandering kwam niet zonder slag of stoot. Jezus moest daarvoor eerst zoals iedere gestorvene in het dodenrijk afdalen (Ef. 4:9). Maar Hij is daar gelukkig niet gebleven (Hand. 2:30-32). Jezus heeft de duivel overwonnen (Heb. 2:14,15) en de sleutels van het dodenrijk in handen gekregen (Op. 1:17,18). Zo kon Hij de rechtvaardige doden bevrijden uit het dodenrijk en ze meenemen naar het Paradijs (Ef. 4:8), waaronder ook de misdadiger aan het kruis. Dus sindsdien is één kant van het dodenrijk leeg. En het Paradijs? Dat is te vinden in de hemel (2 Cor. 12:2-4), waar Christus nu ook is (Ef. 1:20).”

Op het eerste gezicht een samenhangend verhaal. En de genoemde bijbelteksten lijken ook steun te bieden aan deze zienswijze. Maar laten we de belangrijkste teksten hierboven eens wat beter bekijken. Geven ze echt voldoende grond aan de zienswijze van een enorme verticale emigratie?

De tekst die zou moeten aantonen dat Jezus de rechtvaardige doden mee naar boven heeft genomen is Ef. 4:8.

opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. – Ef. 4:8

Het zou kunnen, als je dit zo leest. De krijgsgevangenen zijn dan de rechtvaardige doden, en Jezus nam ze mee toen Hij omhoog ging. Maar deze vertaling is een inkleuring die passend is gemaakt met de traditie, want de grondtekst is veel algemener. De Statenvertaling geeft het ongekleurd weer:

Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. – Ef. 4:8 SV

Jezus heeft de gevangenis (of het “gevangenschap” zoals de Engelse vertalingen het weergeven) gevangen genomen. En om daar nou de rechtvaardige doden in te lezen… Bovendien staat er dat Jezus deze gevangenis (de rechtvaardige doden, volgens de traditie) gevangen nam. Zitten ze in de hemel geketend? Je zou verwachten dat er staat dat Hij ze bevrijdt. Als de traditie klopt.

Laten we nog wat dieper graven. Paulus citeert hier Ps. 68:19, een Psalm die de daden van God en Zijn grootheid beschrijft. In deze Psalm worden diverse hoge bergen genoemd, waaronder de Sinaï. Je weet wel, de berg van waaraf God Zijn wet gaf. Of anders gezegd, de hoogte van waaraf de mensen krijgsgevangenen werden (Rom. 7:6, Rom. 7:23 – de wet wordt in verband gebracht met gevangenschap). Zou Jezus niet deze gevangenis gevangen genomen hebben? Lees dit stuk uit Rom. 7 eens:

Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. [...] maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter. – Rom. 7:4,6

Gaat de tekst in Efeziërs niet gewoon, net als hier in Romeinen, over de wet? De wet die mensen gevangen hield, maar die haar gevangenen moest afstaan aan “Hem, die uit de doden is opgewekt”. Zou Paulus niet spreken over levende mensen, in plaats van dolende zielen? Mensen die nu eigendom zijn geworden van een Ander?

Er wordt in het hele hoofdstuk van Efeziërs niet eens over de dood gesproken. Alleen in de geciteerde Psalm komt de dood even ter sprake (Ps. 68:21), maar niet op zo’n manier dat we er knopen mee kunnen doorhakken (die tekst lijkt te spreken van de algemene opstanding uit de doden, niet van een tussentijdse verhuizing). Er is duidelijk ruimte voor meer dan één interpretatie. Een visie verkiezen boven een andere is een stellingname, geen exegese.

We spitten verder. De volgende tekst wordt dikwijls aangehaald om aan te tonen dat Jezus naar de onderwereld is afgedaald:

Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? – Ef. 4:9

Deze tekst komt direct na vers 8 hierboven, de tekst met het citaat uit Psalm 68. Die Psalm waar over de Sinai gesproken werd. Zou deze tekst niet gewoon betekenen dat God nu niet in de hoogte bleef (de Sinai), maar nedergedaald is naar de lagere aardse gewesten. Naar de mensen aan de voet van de berg. Immanuel, God met ons. Niet meer God boven ons, maar op ons niveau. Het zou kunnen. Er is in ieder geval ook hier ruimte voor een bredere blik. Niets in de context van Psalm 68 of Efeziërs 4 dwingt tot de traditionele interpretatie. Naar mijn bescheiden mening is er zelfs niets dat tot die interpretatie neigt. Je moet die visie er in lezen, je kunt haar er beslist niet uit halen.

[opmerkelijk detail: de streek waar Jezus’ leven en bediening voornamelijk plaatsvond was in Galilea en rondom de Jordaan, alom bekend als één van de laagst liggende streken van de aarde]

Een andere centrale tekst voor de gangbare zienswijze is die van de misdadiger aan het kruis. Ik zal je laten zien dat die al net zo min doorslaggevend is. Sterker nog, die tekst mag je niet eens als bewijs aanvoeren. Vooraf wil ik je eraan herinneren dat interpunctie (de punten en komma’s) niet in de grondtekst staat. De vertalers zetten zelf de leestekens nadat ze hebben begrepen wat de tekst wil vertellen. Ik zal de tekst hieronder op twee manieren weergeven, en jij mag de verschillen zoeken:

“Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” – Luk. 23:43
“Voorwaar, Ik zeg u heden, gij zult met Mij in het paradijs zijn.”

De komma is één woord verschoven, en de zin betekent heel wat anders. Ineens is het hele tijdselement uit de belofte verdwenen. De komma stuurt de betekenis! Dus de betekenis van de zin hangt af van iets wat je niet in de grondtekst kunt terugvinden. Je moet de komma dus plaatsen nadat je elders in de bijbel bent overtuigd van de toestand van de doden. Deze tekst kan nooit als bewijstekst dienen, omdat de theologie van de vertalers meeresoneert.

Maar het is om meer dan alleen de komma een merkwaardige vertaling. We lezen nergens dat Jezus tijdens zijn dood in het Paradijs is geweest. Je leest alleen dat Hij in het dodenrijk is neergedaald. Dit probleem wordt doorgaans opgelost door het aangename stuk van het dodenrijk “Paradijs” te noemen. Maar die oplossing is weer gebaseerd op de bovenstaande tekst. Cirkelredenatie noemen we dat.

ja maar

Maar Paulus is toch ook in het Paradijs geweest? En dat was in de hemel (2 Cor. 12:2-4). Waarom kan het Paradijs dan niet ook in het dodenrijk zijn geweest? Laten we het uitzoeken.

Paulus had onuitsprekelijke dingen gehoord, staat er (hij is zelf die “een mens”, wordt vrijwel unaniem gedacht). Net als Johannes, die dingen had gezien en gehoord in Openbaring. Het zou dus maar zo een visioen kunnen zijn geweest, net als bij Johannes. Een ervaring of voorspiegeling van komende dingen. Hoe dan ook, het Paradijs is een bekende term. We lezen er het eerst van in Genesis. Het is de tuin waar het allemaal begon, de Hof van Eden. Het woord “Paradijs” komt maar drie keer voor in het Nieuwe Testament, en twee ervan hebben we al gezien. De derde vinden we in Openbaring 2:7. Daar wordt het Paradijs genoemd samen met de Boom des Levens, die in het Paradijs is. Net als in Genesis. We komen deze boom opnieuw tegen in Openbaring 22, wanneer we lezen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dus het Paradijs zal er opnieuw zijn aan het begin van de nieuwe schepping. Net als eens, aan het begin van deze schepping.

Zou de verwijzing naar “de derde hemel” niet een horizontale zijn, in plaats van een verticale – alsof er een hemel boven de hemel zou zijn en daarboven nog een? Zou Paulus niet, net als Johannes, een paar millennia vooruit hebben gezien, in plaats van een paar lagen omhoog? Is de derde hemel niet gewoon een andere manier om “de nieuwe hemel” mee aan te duiden? In 2 Pet. 3 zien we een opsomming van de verschillende hemelen en werelden die dit zou kunnen ondersteunen:
[1] de “toenmalige wereld” (vs.6)
[2] “de tegenwoordige hemelen en de aarde” (vs.7)
[3] “de nieuwe hemelen en een nieuwe aarde” (vs. 13).

Dus ook deze tekst biedt de traditie geen steun. Er is in alle passages die we bekeken hebben veel te veel ruimte om één visie als de enige juiste te verkiezen. De teksten die overblijven vertellen hetzelfde verhaal dat we in de rest van de bijbel ook terugvinden: Jezus heeft de dood overwonnen. Hij is gestorven, maar ook weer opgestaan, als Eerste van velen. De eenvoudige en effectieve heilsfeiten die in het Oude Testament al werden voorschaduwd: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften (1 Kor. 15:3,4). Geen van de teksten ondersteunt de visie van een onderaards bezoek aan een schimmenrijk, een handgemeen met de duivel of een op-tocht naar de hemel.

wederhoor

En zeg nou zelf, als deze dingen wél zouden hebben plaatsgevonden, dan zou Jezus daar toch minstens op gezinspeeld na zijn opstanding? Dan zouden we het zeker van Hem horen. Maar Jezus zegt na zijn opstanding “Ik ben nog niet opgevaren” (Joh. 20:17). Volgens de gebruikelijke theologie kwam Hij net van boven, maar Jezus zegt dat Hij nog naar boven moet. Ik denk dat Jezus wist waar Hij het over had.

Ook van de discipelen zouden we verwachten dat ze er melding van maken. Neem nu de toespraak van Petrus aan het begin van Handelingen. De enorme exodus zou dan nog maar enkele weken geleden gebeurd zijn. Zo’n machtsvertoon zou zeker het vermelden waard zijn. Maar als we Petrus’ vurige betoog volgen in Handelingen 2, valt ons op dat hij er eigenlijk met geen woord over rept. Sterker nog, in vers 34 vertelt hij dat David niet in de hemel opgevaren is. Zou David niet mee zijn gegaan? Zou Jezus zijn eigen voorvader vergeten hebben? Natuurlijk niet! Er is niemand in de hemel opgevaren, want David is niet opgevaren. Dat zou eigenlijk al afdoende moeten zijn. De rechtvaardige doden zijn niet in de hemel. Ze zijn dood.

Ook Paulus heeft wat te zeggen over het lot van de doden. Wederom zou de zaak eigenlijk met deze tekst al beslecht moeten zijn. In 1 Kor. 15 zegt hij:

[...] indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren. – 1 Kor. 15:17,18

Volgens de theologie is de overwinning behaald tijdens de dood van Jezus. De rechtvaardige doden zijn naar de hemel verhuisd, voordat Jezus opstond uit de dood. En de hemel is een prima plek om de eeuwigheid door te brengen, zou ik zeggen. Maar Paulus zegt dat ze verloren zijn, als Jezus niet zou zijn opgewekt. Dus volgens hem was de overwinning gelegen in de opstanding, niet in de dood van onze Heiland. Onze hoop is niet in de eerste plaats de hemel, maar de opstanding. We moeten eerst weer levend worden voordat we een nieuw onderkomen kunnen krijgen.

slotsom

Je hebt al kunnen zien dat het dodenrijk niet twee gedeelten heeft. Ik hoop dat je ook ziet dat alle bewijs voor een op-tocht mist. Zo niet, dan hoop ik dat je in ieder geval hebt gezien dat er ruimte is om wijder te kijken. Zoveel ruimte dat de gebruikelijke visie alles behalve vast staat. Het is een voorstelling van zaken. Een van meerdere. Hoe ik deze dingen zie, heb ik hopelijk kunnen overbrengen. Het dodenrijk is waar de doden zijn, niet de levenden. Eigenlijk is het nog krasser: het dodenrijk is geen plaats maar een conditie. De doden zijn niet ergens, ze zijn ergens niet. Maar daar kom ik in een volgend artikel op terug.

<< vorige volgende >>

twee gedeelten?

Dit is het tweede deel van een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste artikel.

Het idee dat het dodenrijk uit twee gedeelten bestaat is ontleend aan de passage in Lukas 16 over de rijke man en de arme Lazarus. Jezus vertelt hier het verhaal van de rijke man die na zijn dood de arme bedelaar Lazarus, die hij in zijn leven had gekend, zag zitten in de schoot van Abraham. Hij zelf onderging helse pijniging in het dodenrijk. De rijke man probeerde Abraham over te halen Lazarus te sturen om hem wat verkoeling te geven, maar dat was niet mogelijk. Hij had in zijn leven alle goeds al ontvangen. En bovendien: “er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof” (vs. 26). Daar heb je de splitsing. Twee doden, twee gedeelten en een grote kloof in het midden. Het ene deel is aangenaam, het andere pijnlijk. Je zou haast denken dat het dodenrijk er écht zo uit ziet.

Maar laten we eens kijken wat er aan dit gedeelte vooraf gaat. In hoofdstuk 14 begint Jezus aan een serie gelijkenissen. We weten dat dat Jezus’ gebruikelijke manier was om de schare toe te spreken (Mat. 13:34). Elke gelijkenis is heftiger dan de vorige. En elke gelijkenis heeft als thema rentmeesterschap. Hoe iemand is omgegaan met wat hij heeft gekregen. Pas dan volgt de geschiedenis met de rijke man en de arme Lazarus. Of is het geen geschiedenis?

Laten we voor nu nog even aannemen dat de verhandeling echt gebeurd zou zijn. Dan zouden we de woorden als letterlijke realiteit moeten nemen. Dat roept een stortvloed aan vragen op, zoals ik hieronder zal laten zien. De woorden moeten bevestigd kunnen worden door andere bijbelpassages die over dood en hiernamaals gaan. Ik zal je enkele bijbelpassages tonen die maar moeilijk te verenigen zijn met deze voorstelling van zaken.

Je kunt je na het lezen van de passage een aantal dingen afvragen. De rijke man wordt van geen enkele zonde beschuldigd. De passage vermeldt alleen dat hij rijk is. Ga je naar de hel omdat je rijk bent?

Andersom: Lazarus is arm. Of hij rechtvaardig of gelovig is wordt niet gezegd. Ga je naar de hemel omdat je arm bent?

De rijke man wordt begraven terwijl Lazarus meteen naar Abrahams boezem wordt gebracht. Waarom dit verschil? En waarom gaat Lazarus naar Abrahams boezem in plaats van naar de hemel?

De mensen in de hemel kunnen de stakkers in de hel zien aan de overkant van de kloof. Stel je een moeder voor van een ongelovig kind. Kan deze moeder ooit gelukkig zijn als ze haar eigen kroost ziet lijden?

De mensen in de hel kunnen een gesprek voeren met degenen aan de overkant. Ik weet niet of je wel eens afbeeldingen of voorspiegelingen van de hel hebt gezien of gehoord. Meestal wordt een situatie geschilderd waar mensen pijn lijden die vele malen erger is dan geopereerd worden zonder verdoving, gekookt worden in olie of gevild worden met een kaasschaaf. Kun je je voorstellen dat je met iemand praat terwijl je zoiets ondergaat?

Openbaring vertelt ons dat eens alle ongelovige doden zullen worden opgewekt om geoordeeld te worden bij de Grote Witte Troon. Dat is voor sommige mensen duizenden jaren na hun dood. En als we deze passage letterlijk zouden nemen, zouden deze mensen al die tijd voor het oordeel al onophoudelijk zijn gekweld. Nog voordat hun vonnis is geveld! In een menselijk rechtssysteem is dat ondenkbaar. Zullen we de Rechtvaardige Rechter dan wel zo’n rechtsgang aanmeten?

Hoe dan ook, dit zijn slechts speculatieve vragen met hier en daar een beroep op het voorstellingsvermogen. Ze gaan allemaal over dingen die er niet staan. En al is het zo dat wat niet vermeld staat vaak net zo belangrijk is als wat er wél staat, een antwoord op deze vragen is moeilijk te geven. Gelukkig hoeft dat ook niet, want we kunnen aan de slag met wat er wel staat.

In de bijbel staat namelijk meer dan eens dat de dood heel wat anders is dan we hier voorgespiegeld krijgen. We lezen in deze passage van doden die zich bewust zijn van hun dode staat. Maar het Oude Testament vertelt ons juist dat de doden zich niets bewust zijn (Pred. 9:5,10, Job 14:11-14, Ps. 6:5, Ps. 30:10, Ps. 146:4). Dat geeft te denken. En ook in het Nieuwe Testament wordt de dood voorgesteld als een niet-leven. Soms figuurlijk als slaap of ontslapen, of zelfs om ongelovigen mee te beschrijven, maar dit is beeldspraak. Een tekst waar dood letterlijk en heel duidelijk in contrast wordt gezet met leven is te vinden in Openbaring:

De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. – Op. 20:5

De doden zijn dus niet levend. En dat maakt alle vragen die we hierboven hebben gesteld simpelweg ongeldig. De voorstelling kán geen geschiedenis zijn, want dan zou de bijbel zichzelf tegenspreken. Maar wat wilde Jezus dan wel vertellen? Waarom dan toch deze voorstelling van zaken?

Jezus gaf, voordat hij over de rijke man en de arme Lazarus begon te spreken, een gelijkenis over een onrechtvaardige rentmeester. De Farizeeërs in het gehoor van Jezus wisten zich aangesproken (Luk. 16:14). Jezus richt zich daarna dan ook volledig op deze bijbelgeleerden en berispt ze voor hun omgang met het Woord van God (Luk. 16:17,18). De Farizeeërs hadden namelijk zo’n traditie opgebouwd dat ze het Woord van God krachteloos hadden gemaakt (vergelijk Mat. 15:6). De toestand van de doden was één zo’n traditie die Jezus hier aan de kaak stelde. Hij gaf hun een koekje van eigen deeg.

De Farizeeërs begrepen heel goed dat zij de rijke man waren die gekweld werd in het dodenrijk. En Abraham, waar ze zo graag van opgaven (Luk. 3:8), bleek hen niet te willen ontvangen. Ze zaten aan de andere kant als hun voorvader. En om het nog erger te maken, Abraham berispte hen met dezelfde boodschap als Jezus: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. (Luk. 16:29). De rijke pleit dat een opgestane dode wel indruk zal maken, maar Abraham is resoluut: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen (Luk. 16:31).

Neem nu de naamgenoot van de arme man: Lazarus, de vriend van Jezus (Joh. 11). De apostel Johannes vertelt dat hij vier dagen heeft doorgebracht in het dodenrijk (Joh. 11:17). Als er één gelegenheid is waar je een verslag zou verwachten van hoe het is om dood te zijn, is het deze. Maar de bijbel rept er met geen woord over. Waarom? Lazarus had niets te vertellen. Hij was dood, niet levend. Had hij wel gesproken over een bewustzijn na de dood, dan had hij de tradities van de Farizeeërs kunnen bevestigen. Ze zouden hem op handen hebben gedragen. Maar wat lezen we: ze wilden hem doden (Joh. 12:10).

Er is nog veel meer over de passage van de rijke man en de arme Lazarus te vertellen, maar dat doe ik binnenkort in een apart artikel. Voor nu is dit voldoende. Dood is dood. En dus niet levend. Dus we hoeven ons niet af te vragen hoe het er voor de doden zal uit zien, of er twee gedeelten zijn, wat de doden kunnen zien, ruiken, horen of ervaren. In het dodenrijk is niks te beleven

hels theater

Ik bezocht een aantal maanden geleden eens een toneelstuk over de hel. Niet alleen het bestaan ervan werd voorgesteld, maar ook hoe het er daar uit zou zien. Wie er zou zitten, wat er met die mensen gebeurt, maar vooral wat de dood en opstanding van Jezus voor gevolgen heeft gehad in de onderwereld.

Het was een multimediaal geheel, met slechts drie toneelspelers. Kwalitatief een goede voorstelling, maar ik wil het natuurlijk niet over de uitvoering hebben. Nee, waar ik eens op wil inzoomen is de theologie die achter de voorstelling schuilgaat. Want, zo wordt afgebeeld, het dodenrijk heeft twee afdelingen. Eén stuk voor de rechtvaardige doden – “de coole dood” – en een nare plek voor de mensen met “een slechte daden dossier”, genaamd “de droge dood”.

De twee hoofdrolspelers zijn poortwachters in het droge deel van het dodenrijk en ze verwachten gauw iemand binnen te mogen laten. Maar dat pakt anders uit. De eerste dode die voorbij komt is “zo’n witte”, een dode die ingeschreven staat in het boek des levens. Die moeten ze door laten gaan naar de coole dood. De volgende dode die verwacht wordt binnen te komen blijkt maar niet te willen sterven. Dat komt omdat het een “ex-witte” is, en voor zo iemand wordt vaak vurig gebeden. En daar hebben de poortwachters geen rekening mee gehouden.

Maar uiteindelijk komt een “zwarte” binnen zoals ze nog nooit hadden gezien. Deze gaat helaas niet naar de poort van deze poortwachters, maar naar de hoofdpoort. Door een kiertje van hun eigen poort kunnen ze wel stiekem meekijken wat “de baas” met Hem zal doen. En wat blijkt: de zwarte wordt steeds minder zwart, Hij staat steeds minder gebogen, en Hij wordt langzaam maar zeker een witte. En de baas tuigt Hem niet af, zoals ze hadden gehoopt, maar hij staat de sleutels van het dodenrijk aan Hem af! De Witte keert om, weg uit het dodenrijk en neemt de gestorvenen uit de coole dood mee naar de hemel.

Ik heb nog maar weinig christelijke sprekers over de hel of het dodenrijk gehoord, dus deze voorspiegeling was verrassend informatief. Een korte zoektocht op internet leerde me dat dit een geaccepteerde en behoorlijk breed gedragen visie op de hel is. Maar is het een houdbare visie? Is dit echt wat er gebeurd is tijdens de dood en opstanding van onze Heer?

Nu stond het woord “hel” wel op de flyer, maar in het toneelstuk wordt consequent het woord “dodenrijk” gebruikt. En dat is op zich netjes, want de vertaling van het griekse woord “hades” is niet “hel”. De hel is waar Jezus vaak over spreekt (Gehenna), en zijn woorden zijn profetisch – ze moeten nog in vervulling gaan. Maar over de rest van de voorstelling kan ik kort zijn: deze visie roept meer vragen op dan ze beantwoordt.

Er worden diverse zaken door elkaar gehaald. Om er een paar te noemen: de poortwachters mijmeren over “de grote opstand”, en hoe Satan hen meesleurde in zijn val. Dit is een heenwijzing naar de leer dat Satan eens “onberispelijk” was, maar zondig werd – gebaseerd op passages uit Ezechiël 14 en Jesaja 28. Satan verhief zich boven zijn voegen, en in de opstand die volgde nam Satan een derde van de engelen met zich mee uit de hemel. Maar deze gebeurtenis wordt pas beschreven in Openbaringen 12 (vs. 3-9). Een boek dat dingen beschrijft die nog moeten gebeuren. Satan is niet zondig geworden, hij was het altijd al (Joh. 8:44, 1 Joh. 3:8). En hij is niet uit de hemel verbannen met zijn gevolg, want ze zitten daar nu nog (Job 1:6, Ef. 6:12). Hij zal eens uit de hemel geworpen worden, maar dat is nu nog toekomst.

Ook wordt in het stuk meer dan eens gesproken over “de put met het deksel”. Wanneer de poortwachters hun leidinggevende niet meteen gehoorzamen, worden ze bedreigd met “de put”. Dit is een heenwijzing naar de afgrond (2 Pet. 2:4) of de donkerheid (Judas 1:6) waar engelen geketend zitten die in de dagen van Noach ongehoorzaam waren geweest. Dus niet ten tijde van Jezus’ dood en opstanding, en ze worden daar niet vastgehouden door andere demonen, maar door God.

En is het echt zo dat je een “ex-witte” kunt worden? Ga je naar de droge dood op basis van een “slechte daden dossier”? Is geloof niet een gave van God, niet uit werken (Ef. 2:8,9)? En zijn Gods gaven niet onberouwelijk (Rom. 11:29)? Misschien is het probleem hier dat geloven gelijkgesteld wordt aan allerlei uiterlijkheden als kerkgang, doop en avondmaal. Misschien kan iemand met zijn geloof niet meer goed aansluiting vinden in de kerk (zo iemand ben ik tenslotte ook). Maar maakt haperend kerkbezoek of een andere uiterlijke koerswijziging je een ongelovige, een ex-witte? Geloof is toch een hartszaak (Rom. 10:9)?

Kan het gebed van iemand de dood verhinderen? En kan een demon iemand doden? Van Satan wordt gezegd dat hij de macht van de dood heeft, dus in zekere zin kan hij mensen ombrengen. In veel vertalingen wordt foutief weergegeven dat hij de macht over de dood heeft. Maar dat kan maar Eén Iemand van Zichzelf zeggen: Hij die de dood overwonnen heeft. Kan Satan zelf beslissen wie hij doodt? Het boek Job laat ons zonder meer zien dat God het laatste woord heeft. Al kon Satan Job’s leven nemen, hij mocht het niet. Want God is het die de levensgeest geeft en neemt (Pred. 8:8, Ps. 104:29, Job 34:14,15).

Een ander begrip dat werd genoemd was “het boek des levens”. De witten die het dodenrijk binnengingen, zij van wie de namen in dat boek stonden geschreven, mochten naar de coole dood. Maar deze coole dood bestond ten tijde van Jezus’ sterven en opstanding, terwijl het boek des levens wordt genoemd in het verband van Openbaring 20:15. Die passage gaat over het oordeel van de Grote Witte Troon – enkele millenia later dan de tijd waar het toneelstuk zich afspeelt. Openbaring vertelt ons dat de mensen wiens namen niet geschreven staan in het boek des levens in de Poel van Vuur geworpen worden. Dus niet in het dodenrijk, want daar komt iedereen terecht die dood gaat. En ook niet in Gehenna, de hel waar Jezus over sprak. Want Jezus sprak over gebeurtenissen aan het begin van het duizendjarig rijk en deze passage uit Openbaring spreekt van een gericht aan het einde van het duizendjarig rijk. Al deze zaken worden in de bijbel onderscheiden, terwijl ze in het toneelstuk worden samengevoegd. Dat is onzorgvuldig en heel verwarrend.

Dit zijn slechts details, kleine missers in de voorstelling. Soms wel met grote gevolgen, hoor. Maar er worden nog veel grotere aannames gedaan bij het ten tonele brengen van het stuk. Heeft het dodenrijk wel twee gedeeltes? Nam Jezus de goede doden mee naar de hemel, toen Hij opstond uit de dood? Wat is de dood eigenlijk? Hebben wij een onsterfelijke ziel? De volgende keren gaan we over die vragen eens wat dieper nadenken.

volgende >>

de man en de vogels

Ik vond een prachtig kerstverhaal op internet, wat ik je niet wilde onthouden. Ik heb het voor je vertaald vanuit het Engels.

De man en de vogels - door Paul Harvey (1918 – 2009)

De man die ik ga introduceren was niet een Scrooge, maar een aardige, nette en over het algemeen goede man. Ruimhartig voor zijn familie, en oprecht in zijn omgang met andere mensen. Maar hij geloofde gewoon niet in dat hele vleeswording gedoe waar de kerk rond Kerst steeds over preekt. Het was gewoon onzinnig, en hij was te eerlijk om iets anders te veinzen. Het verhaal van Jezus was onverteerbaar voor hem, dat God naar de wereld kwam als Mens.

“Het spijt me verschrikkelijk dat ik jullie moet teleurstellen”, zei hij tegen zijn vrouw, “maar ik ga niet met jullie mee naar de kerk deze kerstavond.” Hij vertelde hoe dat voor hem hypocriet zou voelen. Hij bleef liever thuis, maar hij zou wel opblijven tot ze terugkwamen. En zo bleef hij thuis en gingen zij naar de kerstnachtdienst.

Vlak nadat het gezin weggereden was, begon het te sneeuwen. Hij liep naar het raam om de sneeuwval langzaam te zien aanzwellen en ging naar zijn stoel bij het haardvuur om de krant te lezen. Maar enkele minuten later schrok hij op van een doffe klap… en toen nog een, en nog een. Een soort bons of stomp… Eerst dacht hij dat er vast iemand sneeuwballen gooide tegen zijn woonkamerraam. Maar toen hij naar de voordeur ging om de zaak te onderzoeken, vond hij een zwerm vogels ineengedoken in de sneeuw. Ze waren verrast door de sneeuwstorm en in een wanhopige poging onderdak te vinden, hadden ze geprobeerd door zijn grote woonkamerraam te vliegen.

Hij kon de schepseltjes natuurlijk niet laten doodvriezen, en hij dacht aan de schuur waar zijn kinderen de pony hadden gestald. Dat zou een warm onderdak zijn, als hij de vogels daarheen kon gebaren.

Hij trok snel zijn jas en zijn overschoenen aan en stevende door de sneeuw naar de schuur. Hij opende de deuren en deed het licht aan, maar de vogels kwamen niet naar binnen. Hij bedacht dat hij ze met voedsel naar binnen zou kunnen lokken. Dus hij snelde terug naar binnen, griste wat broodkruimels bij elkaar en strooide ze in de sneeuw in een spoor naar de geelverlichte wijdopen deur van de stal. Maar tot zijn ontzetting negeerden de vogels de kruimels en ze bleven hulpeloos in de sneeuw fladderen. Hij probeerde ze te vangen… Hij probeerde ze in de schuur te drijven door wild met zijn armen te zwaaien en om de vogels heen te lopen… Maar ze schoten alle kanten op behalve naar de warme verlichte schuur.

En toen besefte hij dat ze bang voor hem waren. Voor de vogels was hij een raar en angstwekkend wezen, bedacht hij. Als ik nou op de een of andere manier kon zorgen dat ze me vertrouwen… Ze laten begrijpen dat ik ze geen kwaad wil doen, maar juist wil helpen. Maar hoe? Want wat hij ook deed, het werkte beangstigend of verwarrend. Ze wilden hem maar niet volgen. Ze wilden niet geleid of gedreven worden omdat ze hem vreesden.

“Kon ik maar een vogel zijn,” dacht hij, “dan kon ik me tussen hen voegen en hun taal spreken. Dan zou ik ze kunnen vertellen dat ze niet bang hoeven te zijn. Dan kon ik ze de weg naar de warme veilige… de warme veilige schuur wijzen. Maar ik zou één van hen moeten zijn, zodat ze konden zien, horen en begrijpen.”

En op dat moment klonken de kerkklokken. Het geluid overstemde het geraas van de wind. En daar stond hij, en hij luisterde naar de klokken – Adeste Fidelis – de klokken die het blijde nieuws van Kerst klepelden.

En hij zonk op zijn knieën in de sneeuw.

fout

Ik weet dat ik vaak vrij kritisch schrijf. Dat ik veel wijs op de fouten in de visie van iemand anders. Maar dat is dan weer mijn visie. Iemand anders zal vast weer vinden dat ik dingen fout zie. Niks mis mee, toch? We scherpen elkaar aan, en ons begrip groeit gaandeweg. Het wordt anders wanneer iemand de durf heeft om de bijbel fout te noemen. Er zijn natuurlijk veel mensen die dat doen, maar dan vanaf de zijlijn, als ongelovige. Maar zo nu en dan hoor ik iemand van binnen de gelederen beweren dat de bijbel fout is. Dat er dan wel staat wat er staat, maar dat er eigenlijk wat anders had moeten staan. Ik hoop dat je met me eens bent dat dat veel zorgelijker is.Een paar weken geleden las ik een stukje van iemand die beweert dat ook Jezus eens fout was. Let wel, van binnen de gelederen der gelovigen. Hij begon zijn uiteenzetting met: “De bijbel is een zee van verhalen over mensen die fouten maken. Nergens tref je foutloze helden aan. Iedereen heeft wel een minpuntje. Zelfs Jezus.” Want Jezus had iets gezegd waarvan later bleek dat het niet goed was. Althans, dat vindt hij. Het gaat om de bekende passage van Jezus in Samaria, waar Hij sprak met de Samaritaanse vrouw. Ik zal hieronder de bewuste passage weergeven:
En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon. En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten. Hij echter antwoordde haar geen woord, en zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: Zend haar weg, want zij roept ons na. Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij! Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. Maar zij zeide: Zeker, Here, ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen. Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af. – Mat. 15:21-28
Jezus had de vrouw geen hulp mogen weigeren, en later zag Hij dat ook in. Zo zouden we deze passage moeten lezen volgens de schrijver. Want, zo schrijft hij even later: “Jezus vindt dat Hij er alleen hoeft te zijn voor zijn volksgenoten. Zo ziet Hij zijn roeping.” En hij meent dat Jezus zich heeft laten overtuigen door de vrouw. Dat zij zo krachtig pleitte voor de arme heidenen, dat Jezus’ hart toch ook wat ruimte kreeg voor die buitenlanders. Hij schrijft: “Zijn aanvankelijke afwijzing was, bij nader inzien, fout. De vrouw laat Hem dat zien.”Alsof dat niet genoeg is vervolgt hij: “zelfs van God wordt in de bijbel gezegd dat Hij moet terugkomen op een eerdere uitspraak”. Hij refereert aan het verhaal van Jona, waar God  berouw had over zijn voornemen om Ninevé te verwoesten (Jona 3:10). Ik heb al eens meer geschreven over zulke menselijke weergaven van Gods handelen. Dat God berouw zou hebben, is een menselijke manier om over God te schrijven. Als God alwetend is, zoals de bijbel zegt dat Hij is, dan wist Hij ook dat dit zou gebeuren. Deze schrijfwijze zegt iets over ons beperkte begripsvermogen. God spreekt tot ons in voor ons mensen verstaanbare bewoordingen. Het is geen blijk van Gods onvermogen om oorzaak en gevolg te overzien. Lees meer over deze schrijfwijze in dit artikel.De schrijver sluit af met de volgende woorden: “Het mooie van mensen is, dat ze kunnen veranderen. Dat ze op verkeerde beslissingen terug kunnen komen. De bijbel laat zien dat ze dat van geen vreemde hebben. God en Jezus doen ons dat voor. Wát een boek die Bijbel!”

Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar ik word hier echt onpasselijk van. De bijbel is zo prachtig omdat God zoveel op ons lijkt? Hou toch op! Wat een humanistisch geouwehoer. De bijbel laat God juist zien als de Enige die het eind vanaf het begin kan vertellen. Omdat alles gaat zoals Hij wil. Want wat Hij zegt zal gebeuren. Hij doet ons het foute niet voor, maar juist het goede! Wij zien niet altijd het goede in Gods handelen. Maar dat zegt toch meer van ons dan van Hem?

Jezus was helemaal niet fout in deze passage. De krasse woorden van de Messias zijn geheel in lijn met de fasering van het heilsplan. Eerst de Joodse Priesternatie met de Messias als Koning. Dat was de horizon van alle oudtestamentische profetieën. Zodra het volk de Messias zou omarmen, zou het Koninkrijk aanbreken. Israël zou haar priesterrol gaan bekleden en zo tot zegen zijn van de andere volkeren. De vrouw getuigde juist van inzicht in deze volgorde. Zij zouden gevoed worden bij de gratie van het verloste volk. Als kruimels van de tafel. En pas na deze erkenning van de verhoudingen, sprak Jezus: “O, vrouw, groot is uw geloof”.

Dat alles uiteindelijk anders ging dan (op het eerste gezicht) voorzegd was is voor ons nu geschiedenis. Maar zelfs dát zat al verborgen in de profetieën van het Oude Testament. Wij denken soms dat we weten wat Gods volgende stap zal zijn. Vaak zal blijken dat we verkeerd gedacht hebben. Niks mis mee, toch? Maar ga God niet verwijten dat Hij eigenlijk had moeten doen wat wij dachten. Zeg nou zelf, corrigeren wij de Godswoorden, of laten we ons erdoor corrigeren?