Ik bezocht een aantal maanden geleden eens een toneelstuk over de hel. Niet alleen het bestaan ervan werd voorgesteld, maar ook hoe het er daar uit zou zien. Wie er zou zitten, wat er met die mensen gebeurt, maar vooral wat de dood en opstanding van Jezus voor gevolgen heeft gehad in de onderwereld.
Het was een multimediaal geheel, met slechts drie toneelspelers. Kwalitatief een goede voorstelling, maar ik wil het natuurlijk niet over de uitvoering hebben. Nee, waar ik eens op wil inzoomen is de theologie die achter de voorstelling schuilgaat. Want, zo wordt afgebeeld, het dodenrijk heeft twee afdelingen. Eén stuk voor de rechtvaardige doden – “de coole dood” – en een nare plek voor de mensen met “een slechte daden dossier”, genaamd “de droge dood”.
De twee hoofdrolspelers zijn poortwachters in het droge deel van het dodenrijk en ze verwachten gauw iemand binnen te mogen laten. Maar dat pakt anders uit. De eerste dode die voorbij komt is “zo’n witte”, een dode die ingeschreven staat in het boek des levens. Die moeten ze door laten gaan naar de coole dood. De volgende dode die verwacht wordt binnen te komen blijkt maar niet te willen sterven. Dat komt omdat het een “ex-witte” is, en voor zo iemand wordt vaak vurig gebeden. En daar hebben de poortwachters geen rekening mee gehouden.
Maar uiteindelijk komt een “zwarte” binnen zoals ze nog nooit hadden gezien. Deze gaat helaas niet naar de poort van deze poortwachters, maar naar de hoofdpoort. Door een kiertje van hun eigen poort kunnen ze wel stiekem meekijken wat “de baas” met Hem zal doen. En wat blijkt: de zwarte wordt steeds minder zwart, Hij staat steeds minder gebogen, en Hij wordt langzaam maar zeker een witte. En de baas tuigt Hem niet af, zoals ze hadden gehoopt, maar hij staat de sleutels van het dodenrijk aan Hem af! De Witte keert om, weg uit het dodenrijk en neemt de gestorvenen uit de coole dood mee naar de hemel.
Ik heb nog maar weinig christelijke sprekers over de hel of het dodenrijk gehoord, dus deze voorspiegeling was verrassend informatief. Een korte zoektocht op internet leerde me dat dit een geaccepteerde en behoorlijk breed gedragen visie op de hel is. Maar is het een houdbare visie? Is dit echt wat er gebeurd is tijdens de dood en opstanding van onze Heer?
Nu stond het woord “hel” wel op de flyer, maar in het toneelstuk wordt consequent het woord “dodenrijk” gebruikt. En dat is op zich netjes, want de vertaling van het griekse woord “hades” is niet “hel”. De hel is waar Jezus vaak over spreekt (Gehenna), en zijn woorden zijn profetisch – ze moeten nog in vervulling gaan. Maar over de rest van de voorstelling kan ik kort zijn: deze visie roept meer vragen op dan ze beantwoordt.
Er worden diverse zaken door elkaar gehaald. Om er een paar te noemen: de poortwachters mijmeren over “de grote opstand”, en hoe Satan hen meesleurde in zijn val. Dit is een heenwijzing naar de leer dat Satan eens “onberispelijk” was, maar zondig werd – gebaseerd op passages uit Ezechiël 14 en Jesaja 28. Satan verhief zich boven zijn voegen, en in de opstand die volgde nam Satan een derde van de engelen met zich mee uit de hemel. Maar deze gebeurtenis wordt pas beschreven in Openbaringen 12 (vs. 3-9). Een boek dat dingen beschrijft die nog moeten gebeuren. Satan is niet zondig geworden, hij was het altijd al (Joh. 8:44, 1 Joh. 3:8). En hij is niet uit de hemel verbannen met zijn gevolg, want ze zitten daar nu nog (Job 1:6, Ef. 6:12). Hij zal eens uit de hemel geworpen worden, maar dat is nu nog toekomst.
Ook wordt in het stuk meer dan eens gesproken over “de put met het deksel”. Wanneer de poortwachters hun leidinggevende niet meteen gehoorzamen, worden ze bedreigd met “de put”. Dit is een heenwijzing naar de afgrond (2 Pet. 2:4) of de donkerheid (Judas 1:6) waar engelen geketend zitten die in de dagen van Noach ongehoorzaam waren geweest. Dus niet ten tijde van Jezus’ dood en opstanding, en ze worden daar niet vastgehouden door andere demonen, maar door God.
En is het echt zo dat je een “ex-witte” kunt worden? Ga je naar de droge dood op basis van een “slechte daden dossier”? Is geloof niet een gave van God, niet uit werken (Ef. 2:8,9)? En zijn Gods gaven niet onberouwelijk (Rom. 11:29)? Misschien is het probleem hier dat geloven gelijkgesteld wordt aan allerlei uiterlijkheden als kerkgang, doop en avondmaal. Misschien kan iemand met zijn geloof niet meer goed aansluiting vinden in de kerk (zo iemand ben ik tenslotte ook). Maar maakt haperend kerkbezoek of een andere uiterlijke koerswijziging je een ongelovige, een ex-witte? Geloof is toch een hartszaak (Rom. 10:9)?
Kan het gebed van iemand de dood verhinderen? En kan een demon iemand doden? Van Satan wordt gezegd dat hij de macht van de dood heeft, dus in zekere zin kan hij mensen ombrengen. In veel vertalingen wordt foutief weergegeven dat hij de macht over de dood heeft. Maar dat kan maar Eén Iemand van Zichzelf zeggen: Hij die de dood overwonnen heeft. Kan Satan zelf beslissen wie hij doodt? Het boek Job laat ons zonder meer zien dat God het laatste woord heeft. Al kon Satan Job’s leven nemen, hij mocht het niet. Want God is het die de levensgeest geeft en neemt (Pred. 8:8, Ps. 104:29, Job 34:14,15).
Een ander begrip dat werd genoemd was “het boek des levens”. De witten die het dodenrijk binnengingen, zij van wie de namen in dat boek stonden geschreven, mochten naar de coole dood. Maar deze coole dood bestond ten tijde van Jezus’ sterven en opstanding, terwijl het boek des levens wordt genoemd in het verband van Openbaring 20:15. Die passage gaat over het oordeel van de Grote Witte Troon – enkele millenia later dan de tijd waar het toneelstuk zich afspeelt. Openbaring vertelt ons dat de mensen wiens namen niet geschreven staan in het boek des levens in de Poel van Vuur geworpen worden. Dus niet in het dodenrijk, want daar komt iedereen terecht die dood gaat. En ook niet in Gehenna, de hel waar Jezus over sprak. Want Jezus sprak over gebeurtenissen aan het begin van het duizendjarig rijk en deze passage uit Openbaring spreekt van een gericht aan het einde van het duizendjarig rijk. Al deze zaken worden in de bijbel onderscheiden, terwijl ze in het toneelstuk worden samengevoegd. Dat is onzorgvuldig en heel verwarrend.
Dit zijn slechts details, kleine missers in de voorstelling. Soms wel met grote gevolgen, hoor. Maar er worden nog veel grotere aannames gedaan bij het ten tonele brengen van het stuk. Heeft het dodenrijk wel twee gedeeltes? Nam Jezus de goede doden mee naar de hemel, toen Hij opstond uit de dood? Wat is de dood eigenlijk? Hebben wij een onsterfelijke ziel? De volgende keren gaan we over die vragen eens wat dieper nadenken.
De man en de vogels - door Paul Harvey (1918 – 2009)
De man die ik ga introduceren was niet een Scrooge, maar een aardige, nette en over het algemeen goede man. Ruimhartig voor zijn familie, en oprecht in zijn omgang met andere mensen. Maar hij geloofde gewoon niet in dat hele vleeswording gedoe waar de kerk rond Kerst steeds over preekt. Het was gewoon onzinnig, en hij was te eerlijk om iets anders te veinzen. Het verhaal van Jezus was onverteerbaar voor hem, dat God naar de wereld kwam als Mens.
“Het spijt me verschrikkelijk dat ik jullie moet teleurstellen”, zei hij tegen zijn vrouw, “maar ik ga niet met jullie mee naar de kerk deze kerstavond.” Hij vertelde hoe dat voor hem hypocriet zou voelen. Hij bleef liever thuis, maar hij zou wel opblijven tot ze terugkwamen. En zo bleef hij thuis en gingen zij naar de kerstnachtdienst.
Vlak nadat het gezin weggereden was, begon het te sneeuwen. Hij liep naar het raam om de sneeuwval langzaam te zien aanzwellen en ging naar zijn stoel bij het haardvuur om de krant te lezen. Maar enkele minuten later schrok hij op van een doffe klap… en toen nog een, en nog een. Een soort bons of stomp… Eerst dacht hij dat er vast iemand sneeuwballen gooide tegen zijn woonkamerraam. Maar toen hij naar de voordeur ging om de zaak te onderzoeken, vond hij een zwerm vogels ineengedoken in de sneeuw. Ze waren verrast door de sneeuwstorm en in een wanhopige poging onderdak te vinden, hadden ze geprobeerd door zijn grote woonkamerraam te vliegen.
Hij kon de schepseltjes natuurlijk niet laten doodvriezen, en hij dacht aan de schuur waar zijn kinderen de pony hadden gestald. Dat zou een warm onderdak zijn, als hij de vogels daarheen kon gebaren.
Hij trok snel zijn jas en zijn overschoenen aan en stevende door de sneeuw naar de schuur. Hij opende de deuren en deed het licht aan, maar de vogels kwamen niet naar binnen. Hij bedacht dat hij ze met voedsel naar binnen zou kunnen lokken. Dus hij snelde terug naar binnen, griste wat broodkruimels bij elkaar en strooide ze in de sneeuw in een spoor naar de geelverlichte wijdopen deur van de stal. Maar tot zijn ontzetting negeerden de vogels de kruimels en ze bleven hulpeloos in de sneeuw fladderen. Hij probeerde ze te vangen… Hij probeerde ze in de schuur te drijven door wild met zijn armen te zwaaien en om de vogels heen te lopen… Maar ze schoten alle kanten op behalve naar de warme verlichte schuur.
En toen besefte hij dat ze bang voor hem waren. Voor de vogels was hij een raar en angstwekkend wezen, bedacht hij. Als ik nou op de een of andere manier kon zorgen dat ze me vertrouwen… Ze laten begrijpen dat ik ze geen kwaad wil doen, maar juist wil helpen. Maar hoe? Want wat hij ook deed, het werkte beangstigend of verwarrend. Ze wilden hem maar niet volgen. Ze wilden niet geleid of gedreven worden omdat ze hem vreesden.
“Kon ik maar een vogel zijn,” dacht hij, “dan kon ik me tussen hen voegen en hun taal spreken. Dan zou ik ze kunnen vertellen dat ze niet bang hoeven te zijn. Dan kon ik ze de weg naar de warme veilige… de warme veilige schuur wijzen. Maar ik zou één van hen moeten zijn, zodat ze konden zien, horen en begrijpen.”
En op dat moment klonken de kerkklokken. Het geluid overstemde het geraas van de wind. En daar stond hij, en hij luisterde naar de klokken – Adeste Fidelis – de klokken die het blijde nieuws van Kerst klepelden.
En hij zonk op zijn knieën in de sneeuw.
En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon. En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten. Hij echter antwoordde haar geen woord, en zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: Zend haar weg, want zij roept ons na. Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij! Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. Maar zij zeide: Zeker, Here, ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen. Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af. – Mat. 15:21-28
De schrijver sluit af met de volgende woorden: “Het mooie van mensen is, dat ze kunnen veranderen. Dat ze op verkeerde beslissingen terug kunnen komen. De bijbel laat zien dat ze dat van geen vreemde hebben. God en Jezus doen ons dat voor. Wát een boek die Bijbel!”
Ik weet niet hoe het jou vergaat, maar ik word hier echt onpasselijk van. De bijbel is zo prachtig omdat God zoveel op ons lijkt? Hou toch op! Wat een humanistisch geouwehoer. De bijbel laat God juist zien als de Enige die het eind vanaf het begin kan vertellen. Omdat alles gaat zoals Hij wil. Want wat Hij zegt zal gebeuren. Hij doet ons het foute niet voor, maar juist het goede! Wij zien niet altijd het goede in Gods handelen. Maar dat zegt toch meer van ons dan van Hem?
Jezus was helemaal niet fout in deze passage. De krasse woorden van de Messias zijn geheel in lijn met de fasering van het heilsplan. Eerst de Joodse Priesternatie met de Messias als Koning. Dat was de horizon van alle oudtestamentische profetieën. Zodra het volk de Messias zou omarmen, zou het Koninkrijk aanbreken. Israël zou haar priesterrol gaan bekleden en zo tot zegen zijn van de andere volkeren. De vrouw getuigde juist van inzicht in deze volgorde. Zij zouden gevoed worden bij de gratie van het verloste volk. Als kruimels van de tafel. En pas na deze erkenning van de verhoudingen, sprak Jezus: “O, vrouw, groot is uw geloof”.
Dat alles uiteindelijk anders ging dan (op het eerste gezicht) voorzegd was is voor ons nu geschiedenis. Maar zelfs dát zat al verborgen in de profetieën van het Oude Testament. Wij denken soms dat we weten wat Gods volgende stap zal zijn. Vaak zal blijken dat we verkeerd gedacht hebben. Niks mis mee, toch? Maar ga God niet verwijten dat Hij eigenlijk had moeten doen wat wij dachten. Zeg nou zelf, corrigeren wij de Godswoorden, of laten we ons erdoor corrigeren?
De meest voorkomende bezwaren die ik hoor hebben te maken met de eeuwen. Of, zoals de vraagsteller zal zeggen, de eeuwigheid. Want hoe haal ik het toch in mijn hoofd dat eeuwig niet “voor altijd” betekent? Ik heb al eens eerder in een serie artikelen over de eeuwen geschreven. Het is misschien handig dat je die vooraf leest om mijn visie op de eeuwen te begrijpen. Hieronder wil ik nog wat aanvullende gedachten met je delen.
Laat ik vooraf de gebruikelijke visie op de eeuwigheid weergeven. In de bijbelse lexicons worden de woorden ‘aion’ en de vervoeging ‘aionios’ uit het Nieuwe Testament en het woord ‘olam’ uit het Oude Testament vertaald met verschillende woorden, waaronder ‘eeuwig’. En eeuwig is dan weer een samengesteld begrip. Het kan oneindig in het verleden tot een zeker moment betekenen, oneindig in de toekomst vanaf een zeker moment, of oneindig beide kanten op. Tenslotte wordt soms ook nog gesteld dat deze laatste, oneindige eeuwigheid een soort tijdloosheid is. Maar hoe komen we aan die verzameling? Komt deze bonte bundel uit de bijbel?
eeuwig heden?
Laten we beginnen met de meest ongrijpbare eigenschap van de eeuwigheid, de tijdloosheid. Want, zo wordt soms beweerd, de tijd zal eens ophouden te bestaan. Dan gaan we over van het tijdelijke – de aanhoudende aaneenrijging van vroeger, nu en straks – naar het eeuwige. Het tijdloze domein waar God zich bevindt. Waar vroeger, nu en straks allemaal samensmelten in een soort eeuwig heden. Maar waar vind ik in de bijbel dat de eeuwigheid tijdloos is? En hoe komen we toch aan die oversteek? De enige tekst die grond lijkt te geven aan de tijdloze eeuwigheid staat in 2 Kor. 4:
daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig. – 2 Kor. 4:18
Het tijdelijke wordt tegenover het eeuwige gesteld. Zo duidelijk als wat, toch? Hoewel, omdat we met een vertaling te maken hebben, is het verstandig om te zien wat de bijbel bedoelt met ‘tijdelijk’. We komen het originele woord uit de grondtekst vier keer tegen in de bijbel. Het wordt twee keer weergegeven met “ogenblik” (Mat. 13:21, Mar. 4:17) en twee keer met “tijdelijk” (Heb. 11:25, 2 Kor. 4:18). De andere drie tekstplaatsen geven het woord onmiskenbaar een notie van “kortstondig”. Het contrast in 2 Korintiërs lijkt dus niet zozeer in-de-tijd tegenover buiten-de-tijd, maar gewoon kort tegenover lang.
Maar hoe zijn we dan aan de tijdloosheid gekomen? Ene Alexander Thompson vermoedt dat het concept in de bijbel is geslopen via de Latijnse vertaling (de Vulgaat uit 380 n.Chr.) [bron]. De tekst uit Openbaring 10:6 werd vertaald met “tempus non erit amplius” (tijd zal niet verder zijn). Wyclif (1380 na Chr.) heeft dit vertaald met “Tyme schal no more be”. Latere vertalingen hebben deze weergave gehandhaafd. Ook de Statenvertaling heeft deze overzetting overgenomen:
En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn; – Op. 10:6
De jongere vertalingen hebben deze interpretatie gecorrigeerd en de (oorspronkelijke) Griekse tekst laten spreken, zodat er staat “er zal geen uitstel meer zijn”. Maar al met al is de kerk van de vierde tot de negentiende eeuw (dat is 1500 jaar!) blootgesteld geweest aan de suggestie dat tijd eens zal ophouden te bestaan. Nu, lang nadat de bewuste passage is gecorrigeerd, wordt de eeuwigheid nog steeds vaak met tijdloosheid geassocieerd. Ten onrechte, als je het mij vraagt.
eeuwigheden
Tijd is alles wat we kennen. In de spreektaal heeft het woord eeuwig dan ook niet de notie van tijdloosheid, maar van een lange tijd. Onze losse omgang met de term laat dat goed zien. “Die rij bij de kassa duurde een eeuwigheid”, of “ik ben je eeuwig dankbaar” drukken een lange tijd uit, maar geen oneindigheid. En al helemaal niet een tijdloosheid. Zoals wij het woord gebruiken zou je “eeuwig” kunnen weergeven met “weet ik hoe lang”: een onduidelijke – maar voor het gevoel lange – tijdsduur. Dat is ook precies de wijze waarop de grondwoorden begrepen kunnen worden. Want olam komt van het Hebreeuwse woord alam, wat “verborgen, geheim” betekent. Dus een olam is een periode van een verborgen, of niet te overziene omvang. In de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, is olam consequent vertaald met aion. Dus beide woorden hebben deze onbepaaldheid ingebakken. Een niet-weten. Dat betekent dat de grootte of duur van een olam of een aion uit andere gegevens dan het woord zelf moet worden gehaald. Voorbeelden daarvan vind je in de eerder geschreven artikelen. Soms blijkt de omvang al uit de directe context van het woord, maar vaak geven de latere boeken meer duidelijkheid over de eeuwen.
Tot zover kun je het misschien nog met me eens zijn. Want de woorden kunnen dus ook oneindig worden, toch? Immers, het woord zelf bepaalt niet de duur, maar het gebruik van het woord is bepalend. En het woord wordt gebruikt in situaties die een oneindigheid hebben ingesloten. Bijvoorbeeld de “eeuwige God”, of “het eeuwige leven”. Maar is God oneindig oneindig vanwege het woord eeuwig? En het eeuwige leven ook? Of komt de oneindigheid elders vandaan?
taal en perk
Taalkundig is eeuwig afgeleid van het woord eeuw. Net zoals jarig is afgeleid van jaar, en vochtig van vocht. De afleiding wijst naar het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. Het heeft geen eigen, zelfstandige betekenis, maar leunt volledig op de betekenis van het woord waar het naar wijst. Vochtig wijst naar vocht, jarig wijst naar een jaar, eeuwig wijst naar een eeuw. Dat is in het Grieks niet anders. In ons geval is een aion niet een periode van 100 jaar, maar wèl een periode. Een periode met een begin en een eind. De afleiding van aion, aionios, zou zo gelezen kunnen worden als “betrekking hebbend op de eeuw”, zoals jarig betrekking heeft op een jaar. De vragen van de vorige alinea komen dus hierop neer: dwingt de bijbel ons om de taalregels om te buigen? Moeten we aionios een zelfstandige, grotere betekenis geven dan het woord waar het van is afgeleid, geheel tegen de gebruiken in?
Dit is een serieuze vraag. Immers, als de gebruikelijke taalregels niet opgaan bij het lezen van de bijbel, hoe verstaan we dan wat we lezen? Is dit de enige regel die buiten het boekje gaat, of moeten we ons hele begrip van de tekst in twijfel trekken? Ik hoop dat je begrijpt welke beerput we opentrekken als we gaan tornen aan de taal. Laten we de beide kwesties maar gewoon bekijken en zien of we dat deksel dicht kunnen laten. We kunnen “het eeuwige leven” volgens de regels weergeven met iets als als “het leven met betrekking tot de [toekomende] eeuw(en)” (zie ook Luk. 18:30 waar het op die manier wordt gebruikt). Dus het leven in die eeuwen waarin Jezus koning zal zijn. Daar was elke Joodse toehoorder van doordrongen – de tijd was immers aanstaande. De Koning kon elk moment komen. Denk aan de centrale vraag van Handelingen: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël” – Hand. 1:6. Die tijd ligt nu nog steeds vóór ons, maar ze zal komen. En ook eindigen, wanneer Jezus het koningschap overdraagt aan zijn Vader (1 Kor. 15:28). Maar daarmee zijn we onze heerlijke horizon niet kwijt! We zijn niet plotseling dood bij de eindstreep van de eeuwen (dan zou er “alles in niemand” staan in die laatste tekst). Nee, allen leven dan. Immers, Paulus vertelt ons dat we zullen opstaan in onsterfelijkheid, net als Jezus (Rom. 6:5,9). En dat de dood eens verzwolgen zal zijn (1 Kor. 15:54). Dus het eeuwige leven is eindeloos, omdat we niet meer sterven. Niet omdat de eeuwigheid eindeloos is.
Op deze manier kun je ook de “eeuwige God” uit Rom. 16:26 begrijpen. Van de eeuwen weten we dat ze geschapen zijn (Heb. 1:2 – wereld = eeuwen), en dus een begin hebben. En God schiep ze, dus Hij was er al eerder. We weten ook dat ze een einde hebben, zoals alle eeuwen eindigen (1 Kor. 10:11 SV – “einden der eeuwen”). Waar is God aan het einde? 1 Kor. 15:28 zei immers dat, wanneer Jezus’ missie er op zit, God “alles in allen” zal zijn. De eeuwen zijn voleindigd, en God is er nog steeds. Wij hebben het woord eeuwig niet nodig om te begrijpen dat God oneindig is. Dat blijkt uit alles wat we van God weten uit de bijbel (zie bijv. Ps. 102:28). Maar, God is niet alleen God aan het begin en het einde van de eeuwen. Hij is ook gedurende de eeuwen God. Of anders gezegd, Hij is ook “God met betrekking tot de eeuwen”. Hij staat niet alleen aan de oorsprong en de ontknoping, voor het startschot en de lintjes. Hij is er ook door de eeuwen heen! Hij is de eeuwige God. Dus God is eindeloos, omdat Hij God is. Niet omdat de eeuwigheid eindeloos is.
Ik kan begrijpen dat het je nu even duizelt. Want de taalkundige beerput mag dan dicht blijven, bijkans al je andere uitgangspunten staan nu misschien te schudden. Hebben we de bijbel dan echt zo misverstaan? Is de eeuwigheid werkelijk zo anders dan ons altijd is geleerd? Ik ben bang van wel. Het probleem is niet beslist dat je niet goed hebt opgelet bij het lezen van je bijbel. Veel van onze onbekendheid met de aard van de eeuwen ligt in het feit dat de vertalers de originele woorden met zoveel verschillende begrippen hebben weergegeven. Zo is de eindigheid van de eeuwen grotendeels voor ons verborgen gebleven. De duidelijkste hint zit in de eeuwigheden. Of het “van eeuwigheid tot eeuwigheid”. Tijd zonder begin of einde kent geen van en tot. En al helemaal geen meervoud.
heden eeuwig
Het Griekse woord aion heeft een geschiedenis in twee werelden. Het heeft een plaats in de Griekse literatuur en filosofie, en een plaats in de Griekse versie van de Hebreeuwse bijbel, waar het een Hebreeuws woord vertegenwoordigt. Dus aion heeft een leven geleid in zowel de Griekse als de bijbelse wereld. Daarom wordt het gekenmerkt door een dubbele maat betekenis. – p.1
De consequente weergave van olam door aion in de LXX [de Septuagint - GdB] heeft tot gevolg dat het bijbelse woord aion(ios) geïnterpreteerd moet worden in de lijn van van olam, niet in de lijn van het buiten-bijbelse ‘seculiere’ Griekse aion(ios). – p. 194
De Hebreeuwse expressie olam en ‘ad wordt in de LXX vertaald met ‘de aion en verder’ en ‘(de aion en) de aion van de aion’. Deze Griekse weergave, nog duidelijker dan het Hebreeuwe origineel, toont dat het bijbelse woord aion (olam) niet beschouwd moet worden als een definitieve term, of, om dezelfde reden, als een theoretisch concept.
Door de manier waarop aion en aionios gecombineerd worden met tijd-woorden, zoals chronos, hemerai en kairoi, concluderen wij dat aion en aionios zelf ook tijd-woorden zijn. Aion duidt op het geheel van tijd, terwijl de andere begrippen delen (of hoeveelheden) van tijd beschrijven. – p. 195
De bijbel spreekt niet in termen van de ‘eeuwigheid van God’, slechts van de God van de eeuwigheid (als we deze term willen gebruiken om ‘olam/aion’ weer te geven). Inzoverre er bijbelse passages zijn om wat we de ‘eeuwigheid van God’ kunnen noemen te beschrijven (b.v. in de Profeten en de Psalmen), worden aion en aionios niet gebruikt om het te beschrijven. ‘De aion’ of ‘ de aionen’ zijn Gods schepping. In plaats van eeuwigheid, zouden we de aion (olam) de geheelheid van tijd kunnen noemen.
Samenvattend, olam = aion in de fundamentele zin duidt op de tijdshorizon waarbinnen wij, geschapen wezens, onze plaats hebben: het beschrijft tijd, altijd gebonden aan de schepping, reikend tot zo ver wij kunnen schouwen. Bij specifieke gebeurtenissen kan deze horizon wijder of smaller zijn: de tijd van een leven, de tijd van een bepaalde gesteldheid.
De eerste olam / aion tekst in Genesis toont leven (in volle kracht en welbevinden) met de impliciete bedoeling vrij van sterven te zijn, en dus ‘voor de olam / aion’ te zijn. Het is dus niet vanwege het karakter en de definitie van olam / aion maar vanwege het vooruitzicht van de vernietiging van de dood, dat olam / aion ‘world without end’ betekent [in de King James Version wordt aion in Ef. 3:21 zo vertaald - GdB]. – p. 198
Vooruitblikkend op de ontwikkeling van het woord in latere geschriften, heeft ze de lexicons van de eerste eeuwen erop nageslagen. Ze schrijft onder meer:
Zoals elke lexicon van de Griekse taal je zal vertellen, is de eerste aanwijsbare betekenis van aion: “leven”. – p. 1
Onze eerste lexicon is die van Appollonius Sophista, die stamt uit de eerste of tweede eeuw AD. Het behandelt het taalgebruik van de epistelen van Homer, waar aion voor het eerst gebruikt wordt. Het woord wordt als volgt uitgelegd:
- het leven van een mensDeze oorspronkelijke betekenis blijft de eerstgenoemde in lexicons. De lexicon van Hesychius uit de vijfde of zesde eeuw AD behandelt de taal van Homer tot aan de klassieke Griekse literatuur. Er worden verschillende betekenissen van aion genoemd:
- het leven (bios) van een mens, de tijd (chronos) van het leven (zoë) [...]
- enkele recente schrijvers hebben het ruggemerg in gedachten [...]
- soms wordt het ook gebruikt voor een lange tijd
- ook voor al het merg in het lichaam
- Euripides noemde de psyche aion, in de Philoctetes[...] Een derde lexicon is de Etymologicum Magnum, van de Byzantijnse periode (ca. 1100 AD). Het bestrijkt de taal van seculiere Griekse literatuur zowel als dat van de bijbel en van christelijke schrijvers. Hier vinden we het volgende voor aion:
aion betekent vijf dingen
- het leven (zoë) van een mens [...]
- aion is ook het aantal van duizend jaren
- aion is ook het altoosdurende (aïdios) en oneindige (ateleutetos), in de visie van de Theoloog: “aion is niet tijd, en ook niet in de tijd, want het is onmeetbaar” [Gregorius van Nazianzus, Or.38,8]
- ook wordt aion genoemd in de zeven aionen van de schepping van de hemel en aarde tot aan de algemene opstanding van de mensen
- ook wordt aion het ruggemerg genoemd [...] – p. 7-9[voetnoot van p. 246] De visie van de zeven aionen van de wereldgeschiedenis, en aion met de betekenis van 1000 jaar, impliceert dat aion in die dagen een periode (en deel) van de tijd betekende, in contrast met wat we tot nu toe hebben gevonden. Maar in deze nieuwe context en betekenis worden de ‘eeuwen’ nooit individueel historisch vastgelegd of geïdentificeerd. [...] Het is interessant om te vermelden dat rond deze tijd het woord voor ‘eeuw’ [100 jaar - GdB] in het moderne Grieks aiona is.
[H. M. Keizer - “Life Time Entirety, a study of aion in Greek Literature and Philosophy, the Septuagint and Philo”]
Er is een duidelijke ontwikkeling van het woord te zien in de loop van de eeuwen. Maar zie je dat de oneindigheid pas in de twaalfde eeuw de woordenboeken haalt? In de eerste eeuwen had aion die betekenis nog niet. De laatste lexicon vermeldt ook de herkomst van dit nieuwe woordbegrip: de theologie. Dus de godgeleerdheid heeft de oneindigheid niet uit de bijbel gehaald, maar er later in gelegd! Aion betekent heden eeuwig, maar van oorsprong niet.
huiswerk
Ik hoop dat ik je heb kunnen laten zien dat er veel vaker over de eeuwen gesproken wordt dan je vertaling doet vermoeden. En dat je dus veel meer over de tijden kunt leren wanneer je weet in welke teksten er over de eeuwen gesproken wordt. Het voert te ver om alle tekstplaatsen en uitdrukkingen te behandelen waar over de eeuwen gesproken wordt. Maar ik kan ze hieronder wel vermelden. Dan kun je gemakkelijk zelf op zoek gaan en proberen de passages te begrijpen in het licht van de eindige eeuwen. Natuurlijk is niet ineens alles duidelijk. Dat geeft niet. Alles wat je nu begrijpt van de bijbel heb je ook niet in één keer geleerd. Maar je kunt bijvoorbeeld in je bijbel een markering maken bij de passages, zodat je weet dat het eigenlijk over de eeuwen gaat. Elke volgende keer dat je die teksten leest, zal je begrip zich vormen naar het nieuwe inzicht.
Dus vanaf hier wordt het huiswerk. De tekstplaatsen zijn allemaal gelinkt naar biblija.net. Als met je muiswiel op een link klikt, komt de passage in een tabblad naast je huidige te voorschijn in de vier meest gebruikte Nederlandse vertalingen. Als je wilt zien wat er precies staat in de grondtekst, kun je op de link naar de grondtekst klikken die erbij staat. Je komt dan op de website van scripture4all.org waar alle bijbelhoofdstukken in een interlineair (de grondtekst met een Engelse vertaling eronder) zijn te vinden. Doe dit ook met je muiswiel, dan heb je alles mooi in tabbladen naast elkaar. Je zult zien dat er in de grondtekst van het Oude Testament soms al staat: tot aan de eeuw en verder. De eindigheid van de eeuwen was toen al bekend!
Tenslotte heb ik bij de tekstverwijzingen van het Nieuwe Testament ook nog een link naar de Concordant Version geplaatst. Dat is een Engelse vertaling die zo eenduidig mogelijk uit het Grieks is vertaald. Dat levert soms wat moeilijk Engels op, maar het kan erg behulpzaam zijn bij het begrijpen van een moeilijk vers. Ik heb enkele illustratieve passages vet- en schuingedrukt, dus ga die in ieder geval eens bij langs. En gebruik de mogelijkheid om op dit artikel te reageren door vragen te stellen over lastige teksten. Dan kunnen we samen proberen ze te begrijpen. Wie weet wordt deze pagina zo een soort naslagwerk over de eeuwen. Speur je mee?
OUDE TESTAMENT
Genesis
Gen. 3:22 | Gen. 6:3 | Gen. 6:4 | Gen. 9:12 | Gen. 9:16 | Gen. 13:15 | Gen. 17:7 | Gen. 17:8 | Gen. 17:13 | Gen. 17:19 | Gen. 21:33 | Gen. 48:4 | Gen. 49:26
Exodus
Ex. 3:15 | Ex. 12:14 | Ex. 12:17 | Ex. 12:24 | Ex. 14:13 | Ex. 15:18 | Ex. 19:9 | Ex. 21:6 | Ex. 27:21 | Ex. 28:43 | Ex. 29:9 | Ex. 29:28 | Ex. 30:21 | Ex. 31:16 | Ex. 31:17 | Ex. 32:13 | Ex. 40:15
Leviticus
Lev. 3:17 | Lev. 6:18 | Lev. 6:22 | Lev. 7:34 | Lev. 7:36 | Lev. 10:9 | Lev. 10:15 | Lev. 16:29 | Lev. 16:31 | Lev. 16:34 | Lev. 17:7 | Lev. 23:14 | Lev. 23:21 | Lev. 23:31 | Lev. 23:41 | Lev. 24:3 | Lev. 24:8 | Lev. 24:9 | Lev. 25:32 | Lev. 25:34 | Lev. 25:46
Numeri
Num. 10:8 | Num. 15:15 | Num. 18:8 | Num. 18:11 | Num. 18:19 | Num. 18:23 | Num. 19:10 | Num. 19:21 | Num. 25:13
Deuteronomium
Deut. 5:29 | Deut. 12:28 | Deut. 13:16 | Deut. 15:17 | Deut. 23:3 | Deut. 23:6 | Deut. 28:46 | Deut. 29:29 | Deut. 32:7 | Deut. 32:40 | Deut. 33:15 | Deut. 33:27
Jozua
Joz. 4:7 | Joz. 8:28 | Joz. 14:9 | Joz. 24:2
Richteren
Richt. 2:1
1 Samuel
1 Sam. 1:22 | 1 Sam. 2:30 | 1 Sam. 3:13 | 1 Sam. 3:14 | 1 Sam. 13:13 | 1 Sam. 20:15 | 1 Sam. 20:23 | 1 Sam. 20:42 | 1 Sam. 27:8 | 1 Sam. 27:12
2 Samuel
2 Sam. 3:28 | 2 Sam. 7:13 | 2 Sam. 7:16 | 2 Sam. 7:24 | 2 Sam. 7:25 | 2 Sam. 7:26 | 2 Sam. 7:29 | 2 Sam. 12:10 | 2 Sam. 22:51 | 2 Sam. 23:5
1 Koningen
1 Kon. 1:31 | 1 Kon. 2:33 | 1 Kon. 2:45 | 1 Kon. 8:13 | 1 Kon. 9:3 | 1 Kon. 9:5 | 1 Kon. 10:9
2 Koningen
2 Kon. 5:27 | 2 Kon. 21:7
1 Kronieken
1 Kron. 15:2 | 1 Kron. 16:15 | 1 Kron. 16:17 | 1 Kron. 16:34 | 1 Kron. 16:36 | 1 Kron. 16:41 | 1 Kron. 17:12 | 1 Kron. 17:14 | 1 Kron. 17:22 | 1 Kron. 17:23 | 1 Kron. 17:24 | 1 Kron. 17:27 | 1 Kron. 22:10 | 1 Kron. 23:13 | 1 Kron. 23:25 | 1 Kron. 28:4 | 1 Kron. 28:7 | 1 Kron. 28:8 | 1 Kron. 29:10 | 1 Kron. 29:18
2 Kronieken
2 Kron. 2:4 | 2 Kron. 5:13 | 2 Kron. 6:2 | 2 Kron. 7:3 | 2 Kron. 7:6 | 2 Kron. 7:16 | 2 Kron. 9:8 | 2 Kron. 13:5 | 2 Kron. 20:7 | 2 Kron. 20:21 | 2 Kron. 30:8 | 2 Kron. 33:4
Nehemia
Neh. 2:3 | Neh. 9:5 | Neh. 13:1
Job
Job 7:16 | Job 22:15 | Job 40:23
Psalmen
Ps. 5:12 | Ps. 9:6 | Ps. 9:8 | Ps. 10:16 | Ps. 12:8 | Ps. 15:5 | Ps. 18:51 | Ps. 21:5 | Ps. 24:7 | Ps. 24:9 | Ps. 25:6 | Ps. 28:9 | Ps. 29:10 | Ps. 30:7 | Ps. 30:12 | Ps. 31:1 | Ps. 33:11 | Ps. 37:18 | Ps. 37:27 | Ps. 37:28 | Ps. 41:13 | Ps. 41:14 | Ps. 44:8 | Ps. 45:3 | Ps. 45:7 | Ps. 45:18 | Ps. 48:9 | Ps. 48:15 | Ps. 49:8 | Ps. 49:12 | Ps. 52:10 | Ps. 52:11 | Ps. 55:22 | Ps. 61:5 | Ps. 61:7 | Ps. 66:7 | Ps. 71:1 | Ps. 72:17 | Ps. 72:19 | Ps. 73:12 | Ps. 73:26 | Ps. 75:9 | Ps. 77:6 | Ps. 77:7 | Ps. 78:66 | Ps. 78:69 | Ps. 79:13 | Ps. 81:16 | Ps. 85:6 | Ps. 86:12 | Ps. 89:2 | Ps. 89:3 Ps. 89:5 Ps. 89:29 | Ps. 89:37 | Ps. 89:38 | Ps. 89:53 | Ps. 90:2 | Ps. 92:8 | Ps. 93:2 | Ps. 100:5 | Ps. 102:13 | Ps. 103:9 | Ps. 103:17 | Ps. 104:5 | Ps. 104:31 | Ps. 105:8 | Ps. 105:10 | Ps. 106:1 | Ps. 106:48 | Ps. 107:1 | Ps. 110:4 | Ps. 111:5 | Ps. 111:8 | Ps. 111:9 | Ps. 112:6 | Ps. 113:2 | Ps. 115:18 | Ps. 117:2 | Ps. 118:1 | Ps. 118:2 | Ps. 118:3 | Ps. 118:4 | Ps. 118:29 | Ps. 119:44 | Ps. 119:52 | Ps. 119:89 | Ps. 119:93 | Ps. 119:98 | Ps. 119:111 | Ps. 119:112 | Ps. 119:142 | Ps. 119:144 | Ps. 119:152 | Ps. 119:160 | Ps. 121:8 | Ps. 125:1 | Ps. 125:2 | Ps. 131:3 | Ps. 133:3 | Ps. 135:13 | Ps. 136:1-26 | Ps. 138:8 | Ps. 139:24 | Ps. 143:3 | Ps. 145:1 | Ps. 145:2 | Ps. 145:13 | Ps. 145:21 | Ps. 146:6 | Ps. 146:10 | Ps. 148:6
Spreuken
Spr. 8:23 | Spr. 10:25 | Spr. 10:30 | Spr. 22:28 | Spr. 23:10 | Spr. 27:24
Prediker
Pred. 1:4 | Pred. 1:10 | Pred. 2:16 | Pred. 3:11 | Pred. 3:14 | Pred. 9:6 | Pred. 12:5
Jesaja
Jes. 9:6 | Jes. 14:20 | Jes. 24:5 | Jes. 25:2 | Jes. 26:4 | Jes. 30:8 | Jes. 32:14 | Jes. 32:17 | Jes. 33:14 | Jes. 34:10 | Jes. 34:17 | Jes. 35:10 | Jes. 40:8 | Jes. 40:28 | Jes. 42:14 | Jes. 44:7 | Jes. 45:17 | Jes. 46:9 | Jes. 47:7 | Jes. 51:6 | Jes. 51:8 | Jes. 51:9 | Jes. 51:11 | Jes. 54:8 | Jes. 55:3 | Jes. 55:13 | Jes. 56:5 | Jes. 57:11 | Jes. 57:16 | Jes. 58:12 | Jes. 59:21 | Jes. 60:15 | Jes. 60:19 | Jes. 60:20 | Jes. 60:21 | Jes. 61:4 | Jes. 61:7 | Jes. 61:8 | Jes. 63:9 | Jes. 63:11 | Jes. 63:12 | Jes. 63:16 | Jes. 63:19 | Jes. 64:4 | Jes. 64:5
Jeremia
Jer. 2:20 | Jer. 3:5 | Jer. 3:12 | Jer. 5:15 | Jer. 5:22 | Jer. 6:16 | Jer. 7:7 | Jer. 10:10 | Jer. 17:4 | Jer. 17:25 | Jer. 18:15 | Jer. 18:16 | Jer. 20:11 | Jer. 20:17 | Jer. 23:40 | Jer. 25:5 | Jer. 25:9 | Jer. 25:12 | Jer. 28:8 | Jer. 31:3 | Jer. 31:40 | Jer. 32:40 | Jer. 33:11 | Jer. 35:6 | Jer. 49:13 | Jer. 49:33 | Jer. 49:36 | Jer. 50:5 | Jer. 51:26 | Jer. 51:39 | Jer. 51:57 | Jer. 51:62
Klaagliederen
Kl. 3:6 | Kl. 3:31 | Kl. 5:19
Ezechiel
Eze. 16:60 | Eze. 25:15 | Eze. 26:20 | Eze. 26:21 | Eze. 27:36 | Eze. 28:19 | Eze. 35:5 | Eze. 35:9 | Eze. 36:2 | Eze. 37:25 | Eze. 37:26 | Eze. 37:28 | Eze. 43:7 | Eze. 43:9 | Eze. 46:14
Daniel
Dan. 9:24 | Dan. 12:2 | Dan. 12:3 | Dan. 12:7
Hosea
Hosea 2:19
Joel
Joel 2:2 | Joel 2:26 | Joel 2:27 | Joel 3:20
Amos
Amos 9:11
Obadja
Obadja 1:10
Jona
Jona 2:6
Micha
Micha 2:9 | Micha 4:5 | Micha 4:7 | Micha 5:1 | Micha 7:14
Habakkuk
Hab. 3:6
Zefanja
Zef. 2:9
Zacharia
Zach. 1:5
NIEUWE TESTAMENT
Aion
Mattheüs
Mat. 6:13 | Mat. 12:32 | Mat. 13:22 | Mat. 13:39 | Mat. 13:40 | Mat. 13:49 | Mat. 21:19 | Mat. 24:3 | Mat. 28:20
Markus
Mar. 3:29 | Mar. 4:19 | Mar. 10:30 | Mar. 11:14
Lukas
Luk. 1:33 | Luk. 1:55 | Luk. 1:70 | Luk. 16:8 | Luk. 18:30 | Luk. 20:34 | Luk. 20:35
Johannes
Joh. 4:14 | Joh. 6:51 | Joh. 6:58 | Joh. 8:35 | Joh. 8:51 | Joh. 8:52 | Joh. 9:32 | Joh. 10:28 | Joh. 11:26 | Joh. 12:34 | Joh. 13:8 | Joh. 14:16
Handelingen
Hand. 3:21 | Hand. 15:18
Romeinen
Rom. 1:25 | Rom. 9:5 | Rom. 11:36 | Rom. 12:2 | Rom. 16:27
1 Korintiërs
1 Kor. 1:20 | 1 Kor. 2:6 | 1 Kor. 2:7 | 1 Kor. 2:8 | 1 Kor. 3:18 | 1 Kor. 8:13 | 1 Kor. 10:11
2 Korintiërs
2 Kor. 4:4 | 2 Kor. 9:9 | 2 Kor. 11:31
Efeziërs
Ef. 1:21 | Ef. 2:2 | Ef. 2:7 | Ef. 3:9 | Ef. 3:11 | Ef. 3:21 | Ef. 6:12
Filippenzen
Fil. 4:20
Kolossenzen
Kol. 1:26
1 Timotheüs
1 Tim. 1:17 | 1 Tim. 6:17
2 Timotheüs
2 Tim. 4:10 | 2 Tim. 4:18
Titus
Tit. 2:12
Hebreeën
Heb. 1:2 | Heb. 1:8Heb. 5:6 | Heb. 6:5 | Heb. 6:20 | Heb. 7:17 | Heb. 7:21 | Heb. 7:24 | Heb. 7:28 | Heb. 9:26 | Heb. 11:3 | Heb. 13:8 | Heb. 13:21
1 Petrus
1 Pet. 1:23 | 1 Pet. 1:25 | 1 Pet. 4:11 | 1 Pet. 5:11
2 Petrus
2 Pet. 2:17 | 2 Pet. 3:18
1 Johannes
1 Joh. 2:17
2 Johannes
2 Joh. 1:2
Openbaring
Op. 1:6 | Op. 1:18 | Op. 4:9 | Op. 4:10 | Op. 5:13 | Op. 5:14 | Op. 7:12 | Op. 10:6 | Op. 11:15 | Op. 14:11 | Op. 15:7 | Op. 19:3 | Op. 20:10 | Op. 22:5
Aionios
Mattheüs
Mat. 18:8 | Mat. 19:16 | Mat. 19:29 | Mat. 25:41 | Mat. 25:46
Markus
Mar. 3:29 | Mar. 10:17 | Mar. 10:30
Lukas
Luk. 10:25 | Luk. 16:9 | Luk. 18:18 | Luk. 18:30
Johannes
Joh. 3:15 | Joh. 3:16 | Joh. 3:36 | Joh. 4:14 | Joh. 4:36 | Joh. 5:24 | Joh. 5:39 | Joh. 6:27 | Joh. 6:40 | Joh. 6:47 | Joh. 6:54 | Joh. 6:68 | Joh. 10:28 | Joh. 12:25 | Joh. 12:50 | Joh. 17:2 | Joh. 17:3
Handelingen
Hand. 13:46 | Hand. 13:48
Romeinen
Rom. 2:7 | Rom. 5:21 | Rom. 6:22 | Rom. 6:23 | Rom. 16:25 | Rom. 16:26
2 Korintiërs
2 Kor. 4:17 | 2 Kor. 4:18 | 2 Kor. 5:1
Galaten
Gal. 6:8
2 Thessalonicenzen
2 Thes. 1:9 | 2 Thes. 2:16 |
1 Timotheüs
1 Tim. 1:16 | 1 Tim. 6:12 | 1 Tim. 6:16 | 1 Tim. 6:19
2 Timotheüs
2 Tim. 1:9 | 2 Tim. 2:10
Filemon
Filemon 1:15
Hebreeën
Heb. 5:9 | Heb. 6:2 | Heb. 9:12 | Heb. 9:14 | Heb. 9:15 | Heb. 13:20
1 Petrus
1 Pet. 5:10
2 Petrus
2 Pet. 1:11
1 Johannes
1 Joh. 1:2 | 1 Joh. 2:25 | 1 Joh. 3:15 | 1 Joh. 5:11 | 1 Joh. 5:13 | 1 Joh. 5:20
Openbaring
Op. 14:6
Het wordt me soms voor de voeten geworpen: “de dwaalleer dat allen gered worden is voor jou misschien nieuw en opwindend, maar de kerk heeft die ketterij al eeuwen geleden verworpen.” Heel subtiel wordt eigenlijk gezegd: “Jongen, dit is oud nieuws, maar je ben gewoon niet zo goed op de hoogte.” Maar ik hoop dat ik met het vorige artikel al heb laten zien dat niet de consensus van de Concilies de doorslag geeft. Al voelt het misschien veilig en vertrouwd dat je een visie aanhangt die de goedkeuring van de geleerden krijgt en het gewicht van de grote groep draagt, massa en menselijke merites betekenen weinig in de bijbel.
In dit artikel wil ik wat dieper ingaan op iets opmerkelijks uit het citaat dat ik de vorige keer aanhaalde. Ik weet niet of het je ook opviel, maar Marion Reynolds liet nog een patroon zien, naast het principe van de enkeling. Ik laat de bewuste paragraaf nog eens zien:
De kerk in de wildernis verheerlijkte Abraham en vervolgde Mozes. De kerk van de koningen verheerlijkte Mozes en vervolgde de profeten. De kerk van Kajafas verheerlijkte de profeten en vervolgde Jezus. De kerk van de pausen verheerlijkte de Heiland en vervolgde de heiligen. En de hedendaagse menigte, zowel in de kerk als in de wereld, bejubelt de moed en kracht van de patriarchen en profeten, de apostelen en de martelaren, maar veroordeelt de zelfde trouw aan de waarheid vandaag als koppigheid en dwaasheid.
[Marion H. Reynolds Jr.(1919-1997), Standing Alone, Foundation Magazine]
Zie je wat ik bedoel? Het lijkt wel alsof de grote groep steevast de oude openbaringen aanklampt. Wanneer God iets nieuws vertelt blijft ze liever bij het vorige verhaal – bij het oude nieuws. Zijn wij mensen echt zo behoudend, verknocht aan het vertrouwde? God is in beweging, maar wij liever niet? Deze vraag is de moeite van het onderzoeken waard. We gaan eens kijken of er inderdaad sprake is van een soort hekgolf-hang: liever de deining dan de boot.
Om te weten of we Gods laatste woorden hebben verstaan én geloven, moeten we ontdekken wanneer God voor het laatst gesproken heeft. Hebreeën 1 vertelt ons wat we willen weten:
Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon – Heb. 1:1,2a
en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen – 1 Kor. 15:5-8
Bij zijn verschijning aan Paulus heeft Jezus óók gesproken. Immers, Hij zei: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt” (Hand. 9:5) en stuurde hem de stad in. Maar was dat alles wat Hij zei? Bij zijn verdediging voor koning Agrippa vertelt Paulus wat Jezus nog meer had gezegd:
En ik zeide: Wie zijt Gij, Here? En de Here zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan, dat gij Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal – Hand. 26:15,16
Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. – Gal. 1:11,12
En ik legde hun het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig – Gal. 2:2a
Dus zoveel is duidelijk: Paulus had een ander evangelie, en hij bracht dat onder de heidenen. De belangrijke vraag is nu: wat doen we met dit onderscheid. Ik heb zovaak gehoord of gelezen: Paulus en de twaalf verschillen slechts in nuances. Het zijn afzonderlijke aspecten van dezelfde boodschap. Ik hoop dat je met de bovenstaande uitleg begint te begrijpen dat dat niet waar kan zijn. Er zijn twee verschillende berichten, voor twee verschillende doelgroepen. Gaan we ze combineren, zoals bijna altijd wordt gedaan? Gewoon het hele nieuwe testament samenvoegen, en de verschillen naar elkaar toe theologiseren? Laten we kijken wat de apostelen zelf besloten te doen, toen ze hoorden van de boodschap van Paulus:
toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan [lett. van] de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan [lett. van] de besnedenen, – immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, – en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan. – Gal. 2:7-9
Zie je dat? Ze lieten de verschillen gewoon bestaan! Paulus’ boodschap was niet voor de besnedenen. Dat wisten ze heel goed. En hun eigen boodschap was niet voor de heidenen, want dat apostelschap was – met een aparte boodschap – aan Paulus gegeven. Twee bestemmingen, twee berichten. Ook in de brieven blijft dat verschil gehandhaafd. De boodschappers en de geadresseerden waren en bleven gekoppeld. Nergens in de bijbel wordt het onderscheid opgeheven of geharmoniseerd. Geen van de apostelen eigent zich de boodschap van Paulus toe, en Paulus doet dat ook niet met de woorden van de twaalf. In Galaten 1:8,9 laat hij zelfs met niet mis te verstane woorden weten dat zijn boodschap niet aangevuld of aangepast mag worden. Voor een overzicht van enkele opmerkelijke verschillen tussen de boodschappen, lees dit artikel.
Ik hoop dat je begint te begrijpen dat het boek Handelingen cruciaal is. Niet voor het vinden van het ideale gemeentemodel, maar om te verstaan in welke tijd we nu leven. Er was een ommekeer op handen en het boek Handelingen beschrijft de overgang. Tot en met Handelingen was de bijbel een Joods verhaal. Aan het volk, voor het volk. Maar dan komen de heidenen in beeld, met een eigen apostel en een eigen boodschap. Even bestaan beide boodschappen naast elkaar, maar die van Paulus was in opkomst en die van de twaalf juist in verval. De reden van deze wending is kernachtig verwoord in hoofdstuk 13:
Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. – Hand. 13:46
En sinds die woorden wordt de aandacht in Handelingen steeds meer gevestigd op Paulus en komen de twaalf op de achtergrond. Aan het einde van Handelingen wordt de bekering en genezing van Israël verbeurd verklaard. Het Koninkrijk was tot nader order uitgesteld. Paulus zegt hierover: “een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat” (Rom. 11:25).
We bevinden ons sindsdien in de periode van de heidenen. Israël is voor nu geschorst. Zal dat dan niet ook voor haar boodschap gelden? De waarheid voor vandaag is de nieuwe: de boodschap die Paulus van Jezus had ontvangen voor de heidenen. De brieven van de twaalf, de evangeliën en eigenlijk alle andere bijbelboeken zijn voor ons informatief, maar niet instructief. God openbaart Zich in heel de Schrift, maar Zijn voorschriften en het onderwijs voor nu vinden we in de brieven die aan ons zijn gericht. Binnenkort, wanneer de volheid van de heidenen is binnengegaan, zal opnieuw bekering en berouw gepreekt worden tot het volk. Dan zal het Koninkrijk voor de derde keer aan het volk worden voorgehouden. Dan zullen ook de brieven aan het volk weer actueel zijn.
Wees eerlijk, zijn wij gelovigen volledig op de hoogte? Luisteren we allemaal naar Gods laatste nieuws? Leggen we ons oor te luisteren bij Paulus, zonder zijn woorden te mengen en te middelen met die van de twaalf? Of is er ook vandaag de dag sprake van hekgolf-hang: bewondering voor het oude nieuws, en weerstand tegen het nieuwe? Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat er weerstand is, veel weerstand en veroordeling. Ook van andere gelovigen die Paulus’ woorden nemen zoals ze er staan, weet ik dat ze veel tegenstand ervaren. Het is ook niet verwonderlijk, want mevrouw Reynolds liet al zien dat het in de geschiedenis altijd zo is geweest.
…Oud nieuws dus, eigenlijk.
Een veelgehoord argument waar ik zelf ook mee geworsteld heb, is dat van het gelijk van de grote groep. Op diverse manieren komt het in bijna alle gesprekken een keer aan de orde. Bijvoorbeeld zo: “als het waar is wat jij beweert, hoe kan het dan dat bijna niemand het gelooft?” Of zo: “de kerk van alle eeuwen, het mainstream christendom, heeft de redding-van-allen steevast afgewezen. Weet jij het beter dan de kerkvaders?” Of op nog een andere manier: “Als enkelingen een uitleg etaleren die afwijkt van de gangbare, dan moet dat tot voorzichtigheid manen”. Onder de oppervlakte schuilt hier de veronderstelling dat de menigte gelijk heeft, of in ieder geval de beste papieren bezit. De grootste groep heeft ook de grootste stem in het bepalen van wat waar is. Als je op safe wilt spelen, kan je dus het beste blijven bij wat de meeste mensen geloven. Maar is dat hoe je waarheid vindt? Heeft groot gelijk?
We zouden de kerkgeschiedenis in kunnen duiken om te zien hoe er met de bijbelse waarheden is omgesprongen, maar ik doe dat liever niet. Geschiedschrijving is gevoelig voor verkleuring, en ik wil mijn argument niet laten leunen op een menselijke weergave van gebeurtenissen. Gelukkig behelst de bijbel ook enkele millennia menselijke geschiedenis. En over de kleurechtheid van de bijbel hoeven we hopelijk niet te twisten. Om te zien of de groep doorgaans goed kiest, kunnen we dus binnen de kaften van de bijbel blijven. Met behulp van de geïnspireerde geschiedenissen, de verhalen waaruit God wil dat we lering trekken, valt wel één en ander over aantallen te zeggen.
Laten we beginnen bij Noach. Van alle mensen die toen leefden, werden alleen Noach en zijn gezin gespaard. De rest van de mensheid kwam om. God riep Abraham als enige uit zijn volk. Niet zijn stad of zijn familie, maar slechts één man en zijn huishouden. Uit hem zou het volk Israël voortkomen, het volk dat God liefheeft. In Deuteronomium verklapte God dat Zijn geliefde volk het kleinste is onder de volkeren (Deut. 7:4). Mozes werd door God geroepen om dit volk te leiden. Ging de massa met hem mee? Nee, bijna elk besluit van Mozes werd aangevochten. Mozes bracht het volk tot voor de grens van het land dat God hen had beloofd. Slechts twee van de twaalf verspieders geloofden dat ze het land ook echt zouden kunnen innemen. De andere tien waren bang en vertrouwden God niet. Luisterde de menigte naar de twee of naar de tien?
En zo kan ik nog wel even doorgaan. Wat is het thema van het boek Richteren? God stuurde voortdurend rechters om het volk te corrigeren (te rechten), maar “de Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen van de Here”. De geschiedenis met de rechter Gideon is tekenend. God versloeg juist met een onwaarschijnlijk kleine groep strijders de vijand. Verreweg de meeste soldaten konden naar huis gaan. Toen Israël om een koning vroeg, gaf God hen de man van hun eigen keuze: Saul. Maar Saul verbeurde zijn recht op de troon en God koos Zelf David tot koning. Schaarde het volk zich achter David? Nee, David werd nog jaren opgejaagd, en in de spelonk riep hij uit “niemand ziet naar mij om” (Ps. 142:5).
Nu zou je kunnen tegenwerpen dat dit gewoon verhalen met verhoudingen zijn. Alleen maar geschiedenissen met getallen. Het gaat nog nauwelijks om de geopenbaarde waarheden van God. En daar hebben we het hier natuurlijk over. Welaan, laten we dan wat specifieker speuren in de bijbel. Wat deed de grote groep wanneer God sprak? We kunnen opnieuw beginnen met Noach. Gedurende 120 jaar was de waarheid van het komende onheil bekend. God had gesproken. Wat deden de mensen? Jezus zegt dat zij “etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam”. Ook Mozes kunnen we nog eens noemen. God sprak tot het volk door hem. Werd er naar Mozes geluisterd? Nee, zodra hij de berg van Sinaï op klom om Gods geboden te ontvangen, ging het volk in zee met een god van eigen makelij. En in heel het boek Exodus en Numeri is te lezen hoe het volk voortdurend mopperde onder de leiding van Mozes.
De profeten, die de godswoorden in latere tijden aan het volk brachten, kregen al net zo min gehoor. “Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd?” zegt Stefanus in Handelingen 7:52. Aan het einde van zijn bediening riep de profeet Elia tot God “de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen.” God zei hem dat er nog een restant van zevenduizend mensen was dat niet voor Baäl had geknield, dus Elia was niet helemaal alleen. Maar zevenduizend op een heel volk is weinig. Heel weinig.
De komst van de Zoon van God, die door alle profeten werd voorzegd, veranderde niets aan deze onophoudelijke ongezeglijkheid. Johannes schrijft in zijn evangelie: “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Joh. 1:11) Het zijne, zijn volk dat als geen ander de Waarheid zou moeten herkennen toen Hij tot hen kwam. Maar ze hebben hem verworpen, veroordeeld en vermoord. Opnieuw met de woorden van Stefanus: “Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt, gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden.” (Hand. 7:52,53)
In het boek Handelingen wordt verteld van de voortdurende inspanning van de apostelen om het volk Israël tot inkeer te brengen. Petrus zegt in zijn toespraak: “En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende” (Hand. 3:17-20) Als het volk Israël berouw zou tonen, zich bekeren en Jezus Christus alsnog zou erkennen als hun Messias, dan zou Hij terugkomen. Het beloofde Messiaanse Koninkrijk zou dan alsnog aanvangen en “tijden van verademing” zouden aanbreken.
Hoe eindigt het boek Handelingen? Wat staat er in het laatste hoofdstuk? “En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig.” (Hand. 28:24) Geen massale ommekeer. Israël als natie bleef verdeeld en toonde geen berouw. De apostel Paulus zegt het volk dan ook toe: “Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!” (Hand. 28:28)
Paulus was ijveriger dan de twaalf in zijn inspanningen zijn boodschap aan de heidenen te brengen. Hij was het die dit heil aan de heidenen gezonden had, en ook in zijn gevangenschap bleef hij schriftelijk hun boodschapper. Hij had stad en land afgereisd om zijn evangelie aan de natiën te verkondigen. En al ontstonden in zijn voetsporen diverse gemeentes, aan het einde van zijn bediening wordt hij van alle kanten verlaten. In de laatste brief die hij schreef verzuchtte Paulus “Dit weet gij, dat allen in Asia zich van mij hebben afgekeerd” (2 Tim. 1:15). De hele landstreek waar hij meerdere gemeentes had gesticht, was hem afvallig geworden. Even later schreef hij: “Alleen Lucas is nog bij mij” (2 Tim. 4:11) en ook: “Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, maar allen hebben mij in de steek gelaten” (2 Tim. 4:16). Zijn verdediging was notabene in Rome, de stad waaraan de grandioze Romeinenbrief was gericht! Slechts enkele jaren nadat zijn brief was verstuurd was er in de stad niemand meer die aan zijn zijde stond. Zijn bediening was voorbij en de eindstand was: hij was alleen.
Zie je dat de massa zich in de bijbel nooit achter de waarheid schaarde? Het was altijd de enkeling. Nu wil ik niemand aansporen om dus maar bij een willekeurige minderheidsvisie aan te schuiven. Wat ik wil zeggen is juist dat getallen, wat voor getallen dan ook, helemaal niet relevant zijn. Al ben je de enige! Het gaat erom dat je onderzoekt of het waar is. Dat je zélf op zoek gaat naar wat de bijbel zegt. Durf je je eigen overtuigingen te toetsen aan de bijbel? Want veel van wat je hebt geleerd wordt door de grote groep onderwezen – heeft groot gelijk? De schrijnende geschiedenis van de christelijke kerk geeft geen enkele aanleiding te denken dat het er na de apostelen beter op geworden is. Bedenk ook dat de bijbel vertaald is door vertegenwoordigers van de grote groep. Lees dus meerdere vertalingen, raadpleeg een concordantie en onderzoek wat er écht staat. En geloof wat je leest, lees niet alleen wat je gelooft.
In een emailgesprek dat ik eens voerde kwamen de aantallen ook ter sprake. Ik schreef onder andere het volgende terug:
Ik ben met je eens dat de getallen overweldigend zijn. Ik voel me dan ook niet comfortabel aan (of buiten) de rand. Ik ben op mijn hoede en onderzoek de schriften om te zien of deze dingen zo zijn, met de capaciteiten die mij gegeven zijn. Maar de kerkhistorie en haar processen van eenswording zouden jou net zo min op je gemak moeten laten voelen binnen de bakens. De grootte van je gevolg bepaalt niet je gelijk – kijk maar naar de Islam. Ik bespeur een zekere mate van berusting in de verstandelijke vermogens van jouw voorgangers. Echter, nergens in de bijbel wordt gevraagd naar andermans geloof. Het gaat erom wat jij doet met de godgeblazen openbaring aangaande Jezus Christus. Jouw geloof in het voldongen feit dat Hij gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften, en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften (1 Kor. 15:3,4)
Het lijkt mij overduidelijk. De bijbel leert ons dat gelijk niets met grootte te maken heeft, maar met overtuiging. Geloof. Geloof in de woorden van God. Wanneer je ergens van overtuigd bent, zul je daarop gaan staan, ook al ben je alleen. Wanneer je opzij moet kijken voor je gelijk, ben je nog niet helemaal overtuigd, volgens mij.
Ik wil afsluiten met een citaat van iemand die dit patroon van de enkeling ook heeft herkend en het prachtig heeft verwoord. Ze beschreef het als volgt:
Het is menselijk om het de massa mee te gaan, het is goddelijk om alleen te staan. Het is menselijk om de mensen te volgen, om mee te gaan met het getij; het is goddelijk om een principe na te volgen, om het tij te keren.
Het is natuurlijk om te sjoemelen met het geweten en de sociale en religieuze mode te volgen ten gunste van gewin of plezier; het is goddelijk deze beide te offeren op het altaar van waarheid en plicht.
“niemand [heeft] mij bijgestaan, maar allen hebben mij in de steek gelaten” (2Tim. 4:16), beschreef de met littekenen getekende apostel zijn eerste verschijning voor Nero, om zich te verantwoorden voor zijn leven van geloven en onderwijzen, tegen de Romeinse wereld in.
Waarheid is uit de mode geweest sinds de mens zijn mantel van onvergankelijk licht omwisselde voor kledij van vergankelijke bladeren. Noach bouwde en reisde alleen. Daniël at en bad alleen. Elia offerde en getuigde alleen. Jeremia profeteerde en huilde alleen. Jezus had lief en stierf alleen.
De kerk in de wildernis verheerlijkte Abraham en vervolgde Mozes. De kerk van de koningen verheerlijkte Mozes en vervolgde de profeten. De kerk van Kajafas verheerlijkte de profeten en vervolgde Jezus. De kerk van de pausen verheerlijkte de Heiland en vervolgde de heiligen. En de hedendaagse menigte, zowel in de kerk als in de wereld, bejubelt de moed en kracht van de patriarchen en profeten, de apostelen en de martelaren, maar veroordeelt de zelfde trouw aan de waarheid vandaag als koppigheid en dwaasheid.
Vandaag worden mannen en vrouwen gezocht, jong en oud, die hun overtuiging van waarheid en plicht willen gehoorzamen ten koste van hun fortuin, vrienden en het leven zelf.
“Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. ”
(Hebr. 13:12,13)[Marion H. Reynolds Jr.(1919-1997), Standing Alone, Foundation Magazine (vertaald vanuit het boek "the Church in Ruins", door Clyde L. Pilkington - hier in het Nederlands te lezen)]
Niet alle reacties die we hebben gekregen sinds ons vertrek uit de kerk waren woordelijk. Eén van de meer onthutsende was die van een geweigerd bezoek. We wilden een lang geleden gemaakte koffie-afspraak nakomen, maar de ontvangende partij had gehoord van onze geloofswending. We waren niet meer welkom. Een passage uit 2 Johannes werd aangehaald om de dichte deur te motiveren.
Nu wil ik vooraf duidelijk stellen dat ik de intentie zeer waardeer. Het is een praktische uiting van de oprechte wens te gehoorzamen aan de aansporingen uit de bijbel. Ook wanneer dat tot vervelende situaties leidt. Maar is dit wat Johannes bedoelt? Is koffie verkeerd? Ik wil je laten zien dat de tekst niet over koffie gaat, als je het mij vraagt.
De kerntekst in deze kwestie is 2 Johannes vers 10:
Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. – 2 Joh. 1:10
Met alleen deze tekst in de hand zou je een gesloten deur kunnen rechtvaardigen. Je zou “deze leer” kunnen lezen als “mijn leer”, of “de leer van mijn gemeente” of nog algemener “de geaccepteerde visie van de christelijke kerk” en ieder die anders denkt buiten de deur houden. Maar zoals ik in de voorgaande studies ook heb laten zien, een tekst vindt zijn betekenis niet in ons eigen denkkader of belevingswereld. We moeten proberen te begrijpen wat we lezen, niet slechts lezen wat we begrijpen. De woorden vooraf, de historische setting, de geadresseerde en soms zelfs de naam van de schrijver zijn van belang voor de betekenis. De omliggende tekst (ik noem het graag omtekst) hebben we nodig om te zien wat Johannes wil zeggen.
omtekst
Het is maar een korte brief, dus laten we gewoon vanaf het begin beginnen. Klik met je muiswiel op deze link om de brief in vier vertalingen in een tabblad bij de hand te hebben. Johannes opent met de adressering. Hij schrijft aan een vrouw en haar kinderen, dus niet beslist aan een gemeente of gezelschap. Let wel: de brief kan wel zo’n groot toepassingsgebied hebben, maar dat moet blijken uit het vervolg – nu weten we alleen nog dat deze brief aan haar gericht is.
Na de aanhef, zegen en inleiding geeft Johannes de aanleiding van de brief:
Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist. – 2 Joh. 1:7
Dus daarom vond Johannes het nodig haar te schrijven en te waarschuwen. Er gingen leraars rond die bedrieglijke dingen onderwezen. Ze beweerden dat Christus niet in het vlees gekomen is. En dat komt uit de koker van de misleider en de antichrist.
Vers 8 laat ons zien wat er op het spel staat.
Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt. – 2 Joh. 1:8
Het gaat dus niet om behoudenis, maar om beloning. Dit onderscheid wordt niet altijd onderkend, maar voor een goed begrip van de bijbel is het belangrijk elk woord goed te wegen.
[Merk op dat de SV spreekt van “dat wij niet verliezen [...] maar een vol loon ontvangen”, dus niet het loon van haar, maar van “wij”: Johannes en de zijnen. We zouden hier dus misschien ook mogen lezen dat zij, de vrouw aan wie de brief is geschreven, het loon is van Johannes. Net zoals “het heilige volk” het loon is van Jezus, volgens Jes. 6:11,12. En vergelijkbaar met hoe Paulus de Filippenzen “mijn kroon” noemt in Fil. 4:1]
Vers 9 werd in het gesprek nog specifiek aangehaald en dan met name de vetgedrukte woorden.
Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. – 2 Joh. 1:9
Want, zo werd gezegd, ik ga verder dan Jezus. Jezus sprak van verloren gaan en hel, en ik spreek van de redding van allen. Maar niet elke vertaling heeft hier “verder gaan” (zie de verschillende vertalingen naast elkaar). Sommige geven het weer als “overtreden”. Een blik in de Concordant Version toont de weergave “everyone who is taking the lead”. Het gaat dus niet beslist om het wijder denken dan de orthodoxie, maar om het verder gaan, “over de schreef gaan”, overtreden. Of het gaat misschien om het leiding nemen, door te beginnen te onderwijzen. Hoe overtreden? Wat onderwijzen? Het staat er meteen achter: niet blijven in de leer van Christus. De leer immers, die spreekt van “de komst van Jezus in het vlees” (vs. 7).
in die dagen
Een leraar in die dagen trok rond met zijn onderwijs, net zoals de apostelen. Hij bracht zijn boodschap, en verwachtte van zijn toehoorders dat ze hem in ruil voor zijn inzichten in zijn onderhoud zouden voorzien. Denk aan voeding en onderdak en misschien zelfs kleding. Dit weten we, omdat Paulus er op wijst dat hij het verschuldigde onderhoud juist altijd heeft afgeslagen (1 Kor. 9:12-14, 2 Thes. 3:7-9). Geheel tegen het gebruik in, maar omwille van het evangelie: genade, “om niet”.
Met deze historische gegevens is het begrijpelijk dat je de deur niet moet openen voor iemand die bedrieglijke dingen leert. Immers, je ondersteunt hem in zijn bedenkelijke bediening. Het ging in die tijd niet om een bakkie leut, maar om het bieden van onderdak en levensonderhoud, voor de tijd van zijn verblijf.
En daarmee hebben we de setting bepaald waarmee we het tiende vers kunnen vatten. Ik geef het hieronder nog eens weer.
Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. – 2 Joh. 1:10
Het “deze leer” is wederom “de leer van Christus”. Niet de leer van wie gered wordt en wanneer. Of de leer van de vrije wil, of van de hel. Het ging om het weren van mensen die er hun beroep van hadden gemaakt te onderwijzen dat Jezus niet écht gestorven was voor onze zonden. En dus ook niet is opgestaan om de dood te overwinnen. Zulke mensen moest ze niet onderhouden. Ze zouden verwarring en verwijdering brengen en mogelijk de gastvrouw zelf doen dwalen (zie mijn opmerking over het loon hierboven).
Zo bezien is het volgende vers ook heel begrijpelijk.
Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken. – 2 Joh. 1:11
Niet omdat een andere leer besmettelijk is – één keer de deur open doen en ongemerkt wordt ze zelf een misleider (zoals een virus met één muisklik op de computer kan komen en zich meteen verder verspreidt). Maar omdat het welkom heten betekende dat ze hen zou onderhouden. En zo dus actieve ondersteuning aan de dwaalleer zou geven.
toegepast
Als we het toepasbaar zouden willen maken in ons hedendaagse christenleven dan zouden we kunnen denken aan de Paranormaalbeurs of Derek Ogilvie (dat Schotse TV-medium dat met overleden mensen praat). Mocht zo’n evenement jouw woonplaats aandoen, dan moet je de deelnemers (of Derek) niet aanbieden dat ze zo lang bij jou mogen komen logeren. Of ze financiëel gaan sponsoren.
Kortom, koffie verkeerd? Nee, doe mij maar zwart.
In mijn vorige bericht vertelde ik al dat we niet altijd begrepen worden in ons omdenken. Kritiek is nooit leuk, maar vaak wel leerzaam. Want het laat zien waar de pijnpunten liggen, en dat spoort ons aan om daar nog eens goed naar te kijken. Ik heb al laten zien dat het tweede-kans-verwijt niet houdbaar was. Althans, de tekst die gebruikt wordt in het verweer spreekt niet van kansen. Maar dat is niet het enige dat we vaker horen. Een andere berisping die we regelmatig krijgen is dat wij de samenkomsten verzuimen. Dat onze terugtrekking uit de gemeente betekent dat we niet luisteren naar Gods Woord en dus in overtreding zijn. De passage waaraan deze vermaning is ontleend is komt ook weer uit Hebreeën. En wel het tiende hoofdstuk, direct volgend op het hoofdstuk waar ik de vorige keer over schreef. Ik wil je laten zien dat ook deze tekst over heel wat anders spreekt dan wij meestal denken. Het gaat om deze passage:
Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. – Heb. 10:25
De tekst staat zoals gezegd in hoofdstuk 10. Dit hoofdstuk volgt op hoofdstuk 9 en gaat vooraf aan hoofdstuk 11. Dit lijkt een onnozele constatering, maar voor het begrijpen van vers 25 is het niettemin relevant. Want in hoofdstuk 9 wordt de parallel getrokken tussen de oudtestamentische hogepriester en Christus (zie mijn vorige artikel). En met de dood van de Hogepriester Christus bleek een hoop gemoeid te zijn. Het elfde hoofdstuk vertelt dat geloof de zekerheid is van de dingen die men hoopt. En het vervolgt met te vertellen hoe diverse geloofshelden gestorven waren zonder de aan hun gedane belofte te hebben mogen zien uitkomen (Heb. 11:13). En hoofdstuk 10 zit daar tussenin – tussen Jezus’ volbrachte werk en de onvervulde hoop.
[Bedenk ook dat we in het vorige stuk al hadden gezien dat de geadresseerden Joden zijn, niet alle mensen uit alle landen en tijden.]
context
Het eerste deel van het tiende hoofdstuk werkt de vervulling van de wet en de oudtestamentische tempeldienst verder uit. In vers 23 wordt de omslag gemaakt naar de belofte:
Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. – Heb. 10:23
Dus vanaf hier lijkt te worden toegewerkt naar hoofdstuk 11, met een appèl op de trouw van God. De Nederlandse vertalingen hebben unaniem “hoop” weergegeven, maar “verwachting” geeft de betekenis van het woord beter weer. Het Nederlandse “hopen” heeft een ingebakken onzekerheid. Als je zegt: “ik hoop het”, dan weet je het niet zeker. Maar de ontvangers van de Hebreeënbrief hadden een verwachting, net als de geloofshelden uit hoofdstuk 11. De belofte van het Koninkrijk der hemelen, in het land dat aan hun vaderen was toegezegd.
Deze tekst bevindt zich middenin een denkspoor dat al in vers 19 begint: “Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus”. Vanwege deze vrijmoedigheid geldt de opsomming van de teksten die volgen: het kunnen “toetreden met een waarachtig hart” (vs. 22), “de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden” (vs. 23), “op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken” (vs. 24) en “onze eigen bijeenkomst niet verzuimen” (vs. 25).
Dus de aansporing is om toe te treden en te blijven hopen (verwachten). En daarna volgt de passage waar we het nu over hebben:
En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. – Heb. 10:24,25
Nu spoort vers 24 aan om iets te doen: liefhebben en goede werken doen. Dus het is best mogelijk dat het volgende vers ook aanspoort om iets te doen, namelijk de samenkomst niet verzuimen. Maar de bredere context is de erfenis uit hoofdstuk 9, de vrijmoedigheid door Jezus’ bloed (vs. 19) en de hoop (vs. 23). En er wordt toegewerkt naar geloof bij het uitblijven van de vervulling van de hoop, in hoofdstuk 11. Dus, gaat het hier nou om de kerkdienst, zoals ons altijd wordt verteld, of niet? Niets wijst tot nu toe in die richting, maar hoe weten we nu zeker wat de aansporing betekent?
woordwijzer
Een ander gereedschap om de bijbel te begrijpen is woordstudie. Wanneer je niet zeker weet of je dezelfde betekenis verstaat als de mensen aan wie de brief was geschreven, kun je onderzoeken hoe bepaalde woorden elders in de bijbel worden gebruikt. De twee woorden waar we de betekenis van moeten zekerstellen zijn “bijeenkomst” en “verzuimen”. Niet de Nederlandse vertaling, want iedereen weet wat een bijeenkomst is, of wat verzuim betekent, maar de Griekse woorden die er aan ten grondslag liggen. We gaan kijken naar de andere passages waar deze woorden voorkomen. Dat zal ons veel vertellen over de strekking en betekenis van de termen.
We beginnen met het woord “verzuimen”. Andere vertalingen hebben hier “nalaten”. Maar alleen bij dit vers is voor zulke vertalingen gekozen. Alle andere keren dat dit Griekse woord in het Nieuwe Testament is vertaald, staat er “verlaten” (zie voor de tekstverwijzingen onderaan). Als dat woord negen van de tien keren de beste vertaling bleek, zal dat ook de hoofdbetekenis van het woord het beste weergeven.
En dan het woord “bijeenkomst”. Dit woord wordt ook wel met “samenkomst” vertaald, maar in bijna alle andere tekstplaatsen waar dat woord voorkomt wordt het vertaald met “verzamelen” of “(bijeen)vergaderen” (zie voor de tekstverwijzingen onderaan). Wederom, als die vertaling bijna alle keren het beste bleek te passen, dan zal dat de primaire betekenis van het woord zijn.
Dit lijken slechts nuanceverschillen, maar ze zijn niettemin belangrijk. Want, zoals je aan de tekstverwijzingen kunt zien, is de betekenis van “vergaderen” ongeveer de helft van de keren niet zozeer een actief maar een passief gebeuren. Niet “zich vergaderen”, maar “vergaderd worden”. Zoals een hen haar kuikens, om maar een voorbeeld te noemen. De vorm waarmee het woord in vers 25 voorkomt is iets anders dan in de meeste andere tekstplaatsen. Het wordt maar op één andere plaats in het Nieuwe Testament gevonden, namelijk in 2 Thessalonicenzen. En daar staat het zo weergegeven:
Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem – 2 Thes. 2:1
Hier wordt het “(bijeen)vergaderen” vertaald met “vereniging”, in de passieve zin. Niet iets wat wij doen, maar iets wat ons zal overkomen. Wanneer Christus terugkomt zullen we met Hem verenigd worden. Het lijkt er dus op dat de bijeenkomst niet spreekt van ons samenkomen, maar van ons samengebracht worden.
toegespitst
En nu brengen we alles bij elkaar. Wat was toch de belofte die de Hebreeën (de Joden) hadden, die ze nog niet hadden zien vervuld worden? Wat was hun verwachting, hun hoop? Het komende Koninkrijk natuurlijk! “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”, klonk het vanaf de Evangeliën. Maar toen deze brief geschreven was, ergens tussen 60 en 70 na Christus, was het er nog steeds niet. Sommige Joden lieten de schouders hangen, en geloofden er niet meer in. Maar Paulus spoort aan om niet te verslappen in de hoop.
Elke Jood wist wat er bij de komst van het Koninkrijk zou gebeuren. Al sinds de sluiting van het verbond was voorzegd dat God zijn volk om haar ongehoorzaamheid zou verstrooien onder alle volkeren (Deut. 28:64). Maar dat Hij het eens weer zou samenbrengen (Deut. 30:2,3, Jer. 31:10) of “bijeenvergaderen”. Ten tijde van de bijbelschrijvers was dat nog niet gebeurd, getuige onder andere de aanhef van Jakobus (Jak. 1:1) en Petrus (1 Pet. 1:1).
Welnu, hoofdstuk 9 en het begin van hoofdstuk 10 spreken van Christus en de gevolgen van Zijn volmaakte offer, en hoofdstuk 11 gaat over geloof, het vasthouden aan je verwachting. Is het dan niet aannemelijk dat de rest van hoofdstuk 10 de brug slaat tussen Christus en de verwachting? Tussen de komst van de Koning en Zijn Koninkrijk, en de daarmee gepaard gaande “vergadering” van zijn verstrooide volk? De lezers werden aangespoord de “vergadering” (het vergaderd worden) niet te “verlaten”. God heeft het beloofd, en Hij is trouw. Hij zal het doen. Maar wat niemand had zien aankomen: het zou niet bij de eerste komst van de Messias gebeuren, maar bij zijn tweede.
[Opmerkelijk detail: in de grondtekst van Deut. 30:3 staat ook eigenlijk dat God zal wederkeren. Zie hier (lees de groene letters, als je het Hebreeuws niet machtig bent, zoals ik). Bijna geen enkele vertaling geeft dat goed weer, maar dat zou betekenen dat zelfs zo vroeg in de bijbel de bijeenvergadering al wordt gekoppeld aan de wederkomst]
Met deze Joodse context in het achterhoofd, laten we de passage nog een keer lezen.
Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. – Heb. 10:23-25
Niets in de passage rechtvaardigt de lezing dat hier de kerksamenkomsten worden bedoeld. Heel de Joodse voorgeschiedenis dringt juist de tekst te begrijpen in het licht van de voorzegde terugkeer naar het beloofde land. Let wel, er is niets mis met een samenkomst van gelovigen. In tegendeel, het is goed om elkaar te ontmoeten en te delen in je geloof en hoop. Maar doe het vanuit je verlangen naar die ontmoeting. Niet omdat het moet. Het is niet voor niets een ont-moeting!
tekstverwijzingen:
verzuimen
Rom. 9:29 – (over)gelaten
Mat 27:46 / Mar 15:34 – verlaten
Hand. 2:27,31 – verlaten
2 Cor. 4:9 – verlaten
2 Tim. 4:10 – verlaten
2 Tim. 4:16 – verlaten
Heb. 10:25 – verzuimen / nalaten
Heb. 13:5 – verlaten
samenkomen
Mat. 23:37 / Luk. 13:34 – (bijeen)vergaderen als een hen haar kuikens
Mat. 24:31 – verzamelen / (bijeen)vergaderen
Mark. 13:27 – verzamelen / bijeenbrengen / bijeenvergaderen
Mark. 1:33 – verzameld / bijeenvergaderd / te hoop gelopen
Luk. 12:1 – bijeengekomen / verzameld / bijeenvergaderd
Luk 17:37 – zich verzamelen / vergaderd worden
samenkomst
2 Th. 2:1 – toevergadering / vereniging met Christus
Heb. 10:25 – samenkomst
Het heeft geen uitleg nodig dat onze nieuwe overtuigingen niet door iedereen worden toegejuicht. Nee, onze ontboezemingen hebben hier en daar pittige discussies ontketend. En dat is alleen maar goed. Een discussie is een gesprek, en een gesprek geeft aan dat deze dingen bespreekbaar zijn. En dat moeten ze zijn. De reacties zijn in eerste instantie vaak emotioneel (schrik, bezorgdheid en onrust) en later vaak inhoudelijk. Enkele inhoudelijke tegenargumenten heb ik in meerdere gesprekken gehoord, dus het leek me zinvol ze hier te bespreken. Immers, als in mijn directe omgeving al meerdere mensen deze kanttekeningen plaatsen, dan is de kans groot dat dat in jouw omgeving ook zo zal zijn. Of misschien plaats je ze zelf ook. Reden genoeg om eens enkele van deze bezwaren te behandelen.
Ik wil beginnen met het veelgehoorde protest dat wij een ‘tweede kans’ introduceren. Dat mensen na dit leven nog eens voor de keuze komen te staan en alsnog tot geloof kunnen komen. Ik zou natuurlijk kunnen antwoorden dat het geloof helemaal niets met kansen te maken heeft, maar met een keuze – en niet de onze, maar de Zijne (Hand. 13:48, Rom. 8:30, Ef. 1:4 en vele andere). Maar dat is een beetje flauw. Laten we het bezwaar eens beter bekijken, en dan vooral de tekstplaats die wordt geciteerd.
De passage die wordt aangehaald om ons terecht te wijzen komt uit Hebreeën, waar staat:
En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel – Heb. 9:27
Deze tekst lijkt inderdaad te zeggen dat het in dit leven moet gebeuren. Want na je dood is het te laat, dan komt het oordeel.
Nu moeten we deze tekst natuurlijk niet los van de omliggende verhaallijn proberen te begrijpen. Wie zijn “de mensen” waar de tekst van spreekt? En wat is “het oordeel”? Gaat het hier om alle mensen die ooit hebben geleefd? En spreekt de tekst van het eindoordeel bij de Grote Witte Troon? Laten we lezen vanaf het begin van het hoofdstuk. Ik zal proberen in mijn eigen woorden de lijn van het betoog weer te geven. Lees het hoofdstuk zelf ook om te controleren of ik het goed zeg.
voorafgaand
Heel hoofdstuk 9 is gewijd aan de priesterdienst in de Tabernakel en de betekenis van de rituelen. In het bijzonder worden de overeenkomsten tussen de taak van de hogepriester en Christus weergegeven. De offerdienst blijkt een vooruitwijzing te zijn geweest, een vleselijk ritueel als zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd (Heb. 9:9). De schrijver wijdt vervolgens uit over het hoeveel-te-meer (vs. 14) het bloed van Christus ons zal reinigen. Veel meer dan het bloed van bokken en stieren. In vers 15 staat waarom:
En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden. – Heb. 9:15
[Merk op dat het hier gaat om de bevrijding van de overtredingen onder het eerste verbond. Dat vernauwt het blikveld dus tot de Joden, want alleen zij hebben onder het eerste verbond geleefd.]
Want, gaat de tekst verder, een testament [verbond, het zelfde Griekse woord als in vs. 15] is pas van kracht als de erflater gestorven is. Daarom was er in het eerste verbond ook bloed nodig. Het bloed werd gebruikt om de boekrol, Mozes, het volk, de Tabernakel en het gereedschap voor de priesterdienst te besprenkelen. Zo werd bijna alles met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving (vs. 22). Maar de Tabernakel en al wat daarin is is slechts een afbeelding van het hemelse. De hemelse dingen zélf moeten met betere offers gereinigd worden (vs. 23). Dat is wat Christus heeft gedaan. Hij heeft in de hemel – waar de Tabernakel een afbeelding van is – Zichzelf éénmaal geofferd om de zonde weg te doen. Niet ieder jaar weer, zoals de hogepriester deed. En niet met ander bloed [dat van kalveren en bokken] zoals de hogepriester, maar met Zijn eigen.
scherpstellen
Nu kennen we de lijn van het relaas voorafgaand aan de tekst die we bespreken. Ik geef hieronder het slot van het hoofdstuk, inclusief de bewuste tekst, in zijn geheel weer.
Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat, want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten. – Heb. 9:24-28
Ik heb het bewuste vers 27 vetgedrukt. Het zal je meteen opvallen dat het slechts het eerste gedeelte is van een parallel die de schrijver trekt. Het “en zoals” van vers 27 hoort bij het “zo” van vers 28. Je kunt deze teksten niet los van elkaar begrijpen. Ze hebben een vergelijkbare strekking, want de woorden “zoals … zo” geven een vergelijking aan, geen tegenstelling. Nu is het tweede deel, het “zo” van vers 28, het positieve gevolg van de dood, het offer, van Christus. Hen die Hem tot hun heil verwachten zullen Hem aanschouwen. Dus puur taalkundig bezien moet het gevolg van het sterven in het eerste deel van de parallel, vers 27, ook positief zijn. Wij begrijpen “het oordeel” doorgaans helemaal niet zo positief. Maar we moeten ons begrip uit de tekst halen, en er voor waken het er in te leggen. In deze passage hebben we niets gevonden dat het oordeel negatief kleurt.
Het geladen woord “oordeel” is in het Grieks ook een neutraal begrip. Het betekent gewoon “gericht” of “rechtspraak”. Het vonnis kan positief of negatief uitpakken, maar dat moet blijken uit de omliggende tekst. Dat zit niet in het woord besloten. Ook moet gezegd worden dat in het Grieks, net als in het Nederlands, een lidwoord staat voor “de mensen”. In het Nederlands is dat niets bijzonders, maar als er een lidwoord in het Grieks staat moet je altijd even goed opletten. Dan wordt ergens extra nadruk op gelegd. Er staat dus niet “mensen” in het algemeen, maar “dé mensen”. Dat moet je doen denken: welke mensen? Vers 15 versmalde het toepassingsgebied al tot alleen de Joden. Maar de mensen die in de passage aldoor aan bod komen zijn de hogepriesters. Niets in deze passage dringt ons om “de mensen” in vers 27 plotseling te laten betekenen: “alle mensen, uit alle eeuwen en alle volken”. Het hoofdstuk laat steeds weer de parallel zien tussen de hogepriesters en Christus. Vers 27 en 28 zijn ook weer een parallel, en het laatste vers gaat over Christus. Dan moet het eerste toch wel spreken van de hogepriesters?
[Opmerkelijk detail: er staat in het Grieks niet “het oordeel”, maar “oordeel”, wat vertaald zou moeten worden met “een oordeel”, of meer neutraal “een rechtspraak”.]
Het thema van hoofdstuk 9 zou je dus zo kunnen weergeven: de hogepriester en Christus en de dood van de erflater. Bij het overlijden van de erflater wordt een testament van kracht, hebben we gelezen. Het testament van Christus is enorm. Bijna elke pagina van het Nieuwe Testament spreekt van de gevolgen van Zijn dood en opstanding. Voor zijn volk, de heidenvolken en de hemelse machten. Vers 15 geeft weer om welk testament het hier gaat: de belofte van de eeuwige erfenis. Maar wat het hoofdstuk niet vertelt is wat de gevolgen zijn van de dood van de hogepriester.
terug naar de Tenach
De toehoorders zijn Hebreeën getuige de titel van het boek, en ook de strekking van dit hoofdstuk ondersteunt die adressering. De Joden dus, een volk als geen ander doordrenkt in de Tenach (het Oude Testament). Zij wisten wel wat de dood van de hogepriester tot gevolg had. Dat hoefde niemand hen nog te vertellen. De schrijver vermeldt dan ook alleen wat de dood van Christus betekent, want dat waren nieuwe inzichten. Wij zijn vaak wat minder bekend met de Joodse voorgeschiedenis, dus voor ons is het zinvol de bepalingen rondom de hogepriester er nog eens op na te slaan.
Numeri 35 geeft de details. Vanaf vers 9 spreekt het hoofdstuk over de zogenaamde vrijsteden. Dat waren plaatsen waar iemand naartoe kon vluchten voor de bloedwreker, mocht hij per ongeluk iemand hebben gedood. Hij moest natuurlijk wel kunnen bewijzen dat hij niet uit wraak of kwaadwilligheid had gehandeld. Als hij voor de vergadering (de juridische macht van de stad) kon aantonen dat er van opzet geen sprake was, dan zegt Numeri het volgende:
dan zal de vergadering krachtens deze bepalingen recht spreken tussen degene die gedood heeft, en de bloedwreker; en de vergadering zal de doodslager uit de hand van de bloedwreker bevrijden, en de vergadering zal hem naar de vrijstad doen terugkeren, waarheen hij gevlucht was, waar hij wonen zal tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft. [...] Want in de vrijstad zal hij moeten wonen tot de dood van de hogepriester, en na de dood van de hogepriester zal de doodslager naar het land zijner bezitting mogen terugkeren. – Num. 35:24,25,28
Zie je de overeenkomsten? Hebreeën spreekt van “het oordeel”, maar we hadden al gezien dat dat ook vertaald had kunnen worden met “een rechtspraak”. En Numeri spreekt ook van “recht spreken”. Precies hetzelfde. Dus wanneer de hogepriester sterft wordt het oordeel van kracht wat de vergadering had uitgesproken: degene die iemand gedood had mocht terug naar het land van zijn bezittingen. Lees nu nog eens vers 27 en 28 van Hebreeën 9.
En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten – Heb. 9:27,28
Zoals de doodslager weer naar zijn bezittingen terug mag na de dood van de hogepriester, zo mogen de mensen “die Hem tot hun heil verwachten” hem ten tweede male aanschouwen na het offer van Christus. Of, zoals vers 15 het verwoordt, dan mogen “de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen”. Want het ging immers om een verbond, een testament. En na het overlijden van de erflater is er dus een erfenis te verkrijgen: toekomstige bezittingen. De erfenis van de belofte: het land wat ze eermaals hadden bezeten. In die tijd waren de Joden om hun overtredingen verstrooid onder de heidenvolken – in de vrijsteden als het ware. Maar de hoop van de Joden was om eens terug te keren naar het land van hun vaderen (Deut. 30:4,5). En dat zou gebeuren wanneer Jezus “ten tweeden male” zou komen om als Koning te heersen. Vers 28 belooft dat ze dat zouden mogen meemaken.
conclusie
Het is dus niet een dreigtekst, vers 27, maar een hoopvolle passage. Het gaat niet om kansen en kiezen voordat we doodgaan. Het gaat er helemaal niet om wat er gebeurt wanneer wij sterven. Het gaat erom wat er gebeurt wanneer hij sterft, de hogepriester. Met de dood van Christus, de ultieme Hogepriester, zou de hoop, de verwachting van de Joden bewaarheid worden. Ze zouden hun erfenis ontvangen, waar ze al zo lang op wachtten.
Het boek sloeg in als een bom. Niet alleen in Amerika, maar ook elders in de wereld. Zelfs in ons kleine polderland sprong menigeen op op ‘de rechte leer’ te verdedigen tegen de ketterse suggesties. Ik heb het over het boek “Love Wins” van Rob Bell. Bell is voorganger van een flinke gemeente in Grandville (Michigan, Amerika) en is zeer actief en creatief in het ter ter sprake brengen van vaste dogma’s. In dit boek had hij het lef de hel ter discussie te stellen en te suggereren dat Gods liefde wel eens een sterkere kracht kon zijn dan waar wij doorgaans mee rekenen. En al noemt hij zichzelf niet een universalist, hij oppert de redding van allen wel als een mogelijkheid. Hij pleit ervoor deze optie net zo orthodox te beschouwen als de andere mogelijkheden. En hij meent dat het als een christelijke deugd moet worden gezien in ieder geval te hopen op de verzoening van alle mensen. Ik heb het boek (nog) niet gelezen, dus ik ga af op wat het wereldwijde web me kan vertellen, en wat de recensenten over zijn boek schrijven. De commentaren zijn niet mals. Hij is van alle kanten gehekeld, verketterd en gediskwalificeerd om deze voorstelling van zaken.
De reacties die ik heb gelezen klinken aanmatigend en aangebrand. “Bell me niet!”,galmt het vrijwel unaniem. Eén commentaar werd me thuis toegestuurd. Het gaat om de reactie van Dirk van Genderen, die ook online te lezen is. Kritiek als dat van Dirk is typerend voor het gros van de reacties die ik heb gelezen. En om in één woord samen te vatten wat ik er van vind: teleurstellend. Ik wil hieronder uitleggen waarom, met de reactie van Dirk als leidraad.
Het gaat niet om Dirk – ik ken de man niet eens – maar om de wijze waarop zelfs de suggestie van de redding van alle mensen terzijde wordt geschoven. Ik zie het steeds weer gebeuren. Een paar passages uit de Evangeliën worden geciteerd, ingebed in de gebruikelijke evangelisch-christelijke visie op de redding en de eeuwigheid, en dat is dat. Alsof de predikant van een mega-church niet op de hoogte is van deze teksten of de gangbare zienswijze. Alsof zijn boek voortkomt uit onbekendheid met de christelijke leer.
Reacties als deze zijn neerbuigend. Een losse greep uit het gemeengoed om de sul die zulks denkt even vlug uit de droom te helpen. De vraag is niet òf de hel in de bijbel(vertalingen) staat. De vraag is eerder: wat is de hel? Als het echt de vreselijke onderwereld is die de kerk ons voorspiegelt, waarom schreef Paulus er dan nooit over? En waarom staat de hel nergens in het Oude Testament? Kwam met de Blijde Boodschap ook een oneindig brutere bestemming voor de ongelovigen? Waarom verkiezen wij de woorden van Jezus boven die van Paulus, terwijl Jezus zelf zegt dat Hij er voor zijn eigen volk was (Mat. 15:24), en Paulus juist onze apostel is (Rom. 11:13, 1 Tim. 2:7)? Waarom wordt de discussie alsmaar beperkt tot hemel en hel als Jezus juist een aards vooruitzicht tekent (zie bijvoorbeeld Mat. 5:3-10 – ja, ook het Koninkrijk der Hemelen is hier op aarde, zie Dan. 2:44)? Wat betekent het woord “eeuwigheid”, als je er meerdere van hebt? En hoe lang zijn deze eeuwigheden als het koningschap van Jezus “tot in alle eeuwigheden” duurt (Op. 11:15) en toch een einde heeft (1 Kor. 15:25-27)? Dat is waar de discussie over zou moeten gaan. Geen alfa-cursus voor oningewijden, maar een rechtvaardiging van alle aannames die aan de leer van de hel ten grondslag liggen.
Maar goed, laat ik bij het begin beginnen. Na een korte weergave van de opvattingen van Bell schrijft Dirk: “Laten we echter voor alles luisteren naar wat de bijbel hierover zegt”. Dat is een lovenswaardig voornemen. Hij weet echter meteen te verklappen “dat de bijbel geen enkele ruimte biedt voor deze gedachten, verlangens en wensen”. Maar dat is natuurlijk onzin, want dat doet de bijbel wel degelijk. Anders hadden we deze discussie helemaal niet. De eerste tekst die hij aanhaalt zegt juist glashelder dat God de Redder is van alle mensen (1 Tim. 4:10). Dit betekent echter, volgens Dirk, dat God de “mogelijkheid om behouden te worden” aan allen geeft. Maar “niet iedereen wil zich laten redden”. Die betekenis moet je echter in de tekst leggen. Je kunt dat er niet uit halen. Hoe het ook zij, aanbod of niet, God is pas Redder van alle mensen, als Hij alle mensen redt. Ik denk dat Paulus dondersgoed wist wat hij opschreef.
Vervolgens wordt Matheüs 10:28 aangehaald, waar staat dat God “ziel en lichaam te gronde kan richten in de hel”. En zonder blikken of blozen zegt hij: “dat is voor altijd”. Geen enkele onderbouwing. De tekst rept niet van tijd, maar Dirk wel. Waarom? Op basis van welke gegevens? Daar ligt nou net de crux van de discussie! Natuurlijk kan God lichaam en ziel te gronde richten. God kan alles. Maar wanneer, waarom en bij wie doet Hij dat? En wat gebeurt er daarna?
Johannes 3:36 wordt aangehaald om aan te tonen dat je moet geloven voor het eeuwige leven. En wie niet gelooft zal het leven niet zien. Kennelijk moeten wij hieruit opmaken dat wanneer de bijbel spreekt van het eeuwige leven, dat eigenlijk de redding wordt bedoeld, en andersom. En dat “het leven niet zien” gelijk staat aan “toch leven, maar dan in een afgrijselijke onderwereld”. Is het niet aannemelijk dat de bijbel verschillende begrippen reserveert voor verschillende dingen?
De volgende passage die hij aanhaalt is de overbekende toespraak van Jezus over de schapen en de bokken uit Mattheus 25, en dan specifiek vers 46: “en dezen [de bokken] zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen [de schapen] in het eeuwige leven”. Wij worden geacht dit te lezen als “de ongelovigen” tegenover “de christenen”. Wederom moet je dat in de tekst lezen, want je haalt het er niet uit. Het hoofdstuk is namelijk behoorlijk duidelijk dat het niet gaat om individuën en hun geloof, maar om volken (vs. 32) en hun werken. En slechts die volken die bestaan “wanneer de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid” (vs. 32). Deze volken zullen geschift worden op basis van wat zij “aan een van deze mijn minste broeders” hebben gedaan (vs. 40). Zie ook Joel 3:1-3 (Joel 4:1-3 in de NBV) waar over dit oordeel over de volken wordt gesproken.
Hij sluit zijn bloemlezing af met Mattheus 23:33, waar Jezus tegen de schriftgeleerden en Farizeeën zegt: “Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?” Geen poging het vergrijp van deze Joodse theologen te verbinden met soortgelijk hedendaags wangedrag. Of om de context te verbreden van de Joden naar de rest van de wereld. Het hoofdstuk laat zien dat het vergrijp van deze heren onder andere is dat zij het Koninkrijk der hemelen toesluiten voor de mensen (vs. 13). Dat is wel het laatste dat je Rob Bell kan verwijten. En wat Dirk niet lijkt te beseffen is dat een uitspraak als deze de leer van de vrije wil in verlegenheid brengt. “Hoe zult gij ontkomen…”, zegt Jezus. Er lijkt weinig te kiezen in hun koers. Lees de verzen die volgen op vers 33 en bedenk hoeveel vrijheid die schriftgeleerden en Farizeeën hadden om hun lot te ontvluchten.
Dirk sluit af met een nabeschouwing en verantwoording van zijn veroordeling van “deze dwaalleer”. Want, zegt hij, de eeuwigheid van de hel is “de kern van het Evangelie”. Echt waar? Ik meende dat Christus dat is. Ook is de heiligheid van God in het geding, volgens Dirk. Dat is merkwaardig, want de bijbel brengt Gods heiligheid juist in verband met Zijn vergeving en goedheid (Hos. 11:9, Jes. 57:15-16, 2 Kron. 20:21). Dirk vervolgt “dat er alleen maar eeuwig leven met Hem in de hemel is voor degenen die in Hem geloven”. Maar zoals ik al eerder zei, Jezus spreekt Zelf voortdurend van een aardse verwachting – het Koninkrijk hier op aarde. De hemel hoor je pas van Paulus.
Tot slot geeft Dirk de aansporing: “Strijd om de hemel in te gaan door de enge poort, bekeer u, geloof in de Here Jezus en ontvlied het verderf in de hel”. Met de bovenstaande kanttekeningen hoop ik dat je nu zelf kunt zien hoeveel dingen hier door elkaar worden gehaald. De enge poort waar hij naar refereert (Luk. 13:24) spreekt niet van de hemel, maar van het ingaan in het Koninkrijk hier op aarde (Luk 13:29). De bijbel vertelt ons ook dat geloof geen strijd is, maar een gave. Niet uit werken – dus zeker niet uit strijd – opdat niemand roeme (Ef. 2:8,9 maar ook Joh. 6:44,65). En het ontvlieden van het verderf in de hel – wel, dat is geciteerd uit die passage met de schriftgeleerden en de Farizeeën (Mat. 23:33). Je weet wel, dat stuk waar weinig te kiezen viel.
Er valt nog veel meer over te zeggen, maar het is genoeg. Het is een kolossale kluwen, de voorstelling van Dirk. Een willekeurige greep uit passages waar het woord ‘hel’ in voorkomt. Ongeacht de context, het publiek of de implicaties van het toe-eigenen van die woorden. Het stemt me droef, en ik heb moeite moeten doen om mijn teleurstelling niet te veel te laten doorschemeren. Dat zou mijn schrijven nodeloos kritisch en op-de-man hebben gemaakt. Het gaat niet om Dirk, maar om zijn verweer. De taal is kras en de woorden groot, maar de exegese is zwak en de presentatie onvolledig.
Hoe dan ook, Rob Bell weet heus wel van de hel. Ik ook. Het gaat niet om of het woord in de bijbel voorkomt, of om de passages waar de hel wordt beschreven. Het gaat erom wat het woord betekent. En wat de functie van de hel is in het licht van de hele bijbelse boodschap. Kom niet aan met een boeketje hel-teksten in de verwachting dat de kous daarmee af is. Geef liever een verklaring waarom de hel in elke nieuwe vertaling op andere plekken te vinden is (en bovendien steeds minder vaak). Of geef antwoord op vragen zoals die hierboven zijn gesteld. Ontwijk het probleem niet met het reciteren van de prefab antwoorden. Die kan ik ook wel vinden. Kom met echte argumenten, maar “hel me niet!”.

