Skip to content

de man en de vogels

Ik vond een prachtig kerstverhaal op internet, wat ik je niet wilde onthouden. Ik heb het voor je vertaald vanuit het Engels.

De man en de vogels – door Paul Harvey (1918 – 2009)

De man die ik ga introduceren was niet een Scrooge, maar een aardige, nette en over het algemeen goede man. Ruimhartig voor zijn familie, en oprecht in zijn omgang met andere mensen. Maar hij geloofde gewoon niet in dat hele vleeswording gedoe waar de kerk rond Kerst steeds over preekt. Het was gewoon onzinnig, en hij was te eerlijk om iets anders te veinzen. Het verhaal van Jezus was onverteerbaar voor hem, dat God naar de wereld kwam als Mens.

“Het spijt me verschrikkelijk dat ik jullie moet teleurstellen”, zei hij tegen zijn vrouw, “maar ik ga niet met jullie mee naar de kerk deze kerstavond.” Hij vertelde hoe dat voor hem hypocriet zou voelen. Hij bleef liever thuis, maar hij zou wel opblijven tot ze terugkwamen. En zo bleef hij thuis en gingen zij naar de kerstnachtdienst.

Vlak nadat het gezin weggereden was, begon het te sneeuwen. Hij liep naar het raam om de sneeuwval langzaam te zien aanzwellen en ging naar zijn stoel bij het haardvuur om de krant te lezen. Maar enkele minuten later schrok hij op van een doffe klap… en toen nog een, en nog een. Een soort bons of stomp… Eerst dacht hij dat er vast iemand sneeuwballen gooide tegen zijn woonkamerraam. Maar toen hij naar de voordeur ging om de zaak te onderzoeken, vond hij een zwerm vogels ineengedoken in de sneeuw. Ze waren verrast door de sneeuwstorm en in een wanhopige poging onderdak te vinden, hadden ze geprobeerd door zijn grote woonkamerraam te vliegen.

Hij kon de schepseltjes natuurlijk niet laten doodvriezen, en hij dacht aan de schuur waar zijn kinderen de pony hadden gestald. Dat zou een warm onderdak zijn, als hij de vogels daarheen kon gebaren.

Hij trok snel zijn jas en zijn overschoenen aan en stevende door de sneeuw naar de schuur. Hij opende de deuren en deed het licht aan, maar de vogels kwamen niet naar binnen. Hij bedacht dat hij ze met voedsel naar binnen zou kunnen lokken. Dus hij snelde terug naar binnen, griste wat broodkruimels bij elkaar en strooide ze in de sneeuw in een spoor naar de geelverlichte wijdopen deur van de stal. Maar tot zijn ontzetting negeerden de vogels de kruimels en ze bleven hulpeloos in de sneeuw fladderen. Hij probeerde ze te vangen… Hij probeerde ze in de schuur te drijven door wild met zijn armen te zwaaien en om de vogels heen te lopen… Maar ze schoten alle kanten op behalve naar de warme verlichte schuur.

En toen besefte hij dat ze bang voor hem waren. Voor de vogels was hij een raar en angstwekkend wezen, bedacht hij. Als ik nou op de een of andere manier kon zorgen dat ze me vertrouwen… Ze laten begrijpen dat ik ze geen kwaad wil doen, maar juist wil helpen. Maar hoe? Want wat hij ook deed, het werkte beangstigend of verwarrend. Ze wilden hem maar niet volgen. Ze wilden niet geleid of gedreven worden omdat ze hem vreesden.

“Kon ik maar een vogel zijn,” dacht hij, “dan kon ik me tussen hen voegen en hun taal spreken. Dan zou ik ze kunnen vertellen dat ze niet bang hoeven te zijn. Dan kon ik ze de weg naar de warme veilige… de warme veilige schuur wijzen. Maar ik zou één van hen moeten zijn, zodat ze konden zien, horen en begrijpen.”

En op dat moment klonken de kerkklokken. Het geluid overstemde het geraas van de wind. En daar stond hij, en hij luisterde naar de klokken – Adeste Fidelis – de klokken die het blijde nieuws van Kerst klepelden.

En hij zonk op zijn knieën in de sneeuw.

  1. Anke / dec 26 2011

    Wat een prachtig verhaal, Goswin.
    Dank je wel.

reageer