Skip to content

gewoon-weg

Dit is het vierde deel van een serie over de dood en het dodenrijk. Klik hier voor het eerste artikel.

Het lastige met onderwerpen als de dood en de hemel is dat ze zo vast geworteld zitten en zo algemeen geaccepteerd zijn. Deze dingen bevraag je simpelweg niet. Iedereen weet toch dat de dood niets anders is dan een overgang. Van het aardse, tijdelijke naar het geestelijke, eeuwige. Als kind heb je al geleerd dat een overleden familielid “in de hemel is”. En dingen waarvan je sinds je kinderjaren overtuigd bent, zijn het moeilijkst los te laten. Die neem je gewoonweg aan.

Het idee dat je ergens heen gaat als je sterft is voor dus velen geen geloof meer maar een gegeven. Ik heb al eerder laten doorschemeren dat ik denk dat het dodenrijk niet een plaats maar een status is. Net als bij MSN of Skype: naast online, offline en bezet heb je ook ‘away’: afwezig of gewoon: weg. Daarmee zeg je niet dat je ergens anders bent, maar dat je ergens niet bent. Groot verschil.

In andere artikelen heb ik je al laten zien dat gedurende de tijd dat de Statenvertaling de meest gelezen bijbelvertaling was, zowel het Hebreeuwse als het Griekse woord voor dodenrijk werd vertaald met ‘hel’. Daar is men op teruggekomen. Zo zeker was de betekenis van de oorspronkelijke woorden kennelijk niet. En dat wekt uiteraard mijn nieuwsgierigheid. Hoe zeker zijn we van de huidige weergave?

Wanneer de Nederlandse vertalingen spreken van het dodenrijk schuilt daarachter in de grondtekst het Griekse woord ‘hades’. Althans, in het Nieuwe Testament. In het Oude Testament is dit het Hebreeuwse woord ‘sheol’. Maar wat betekenen deze woorden? Moeten we er wel een bewaarplaats voor de zielen in lezen? Een soort wachtkamer voor het eindoordeel?

Verschillende bronnen zullen bevestigen dat de grondbetekenis van sheol iets van een vraag in zich heeft. Een onzekerheid. Oorspronkelijk kende het Hebreeuws geen klinkers, en wanneer je de klinkers uit het woord sheol weghaalt, houd je sh’l over, het Hebreeuwse woord voor ‘vragen’. Als iemand stierf en naar sheol ging, zei je in feite: hij gaat weet-ik-waarheen.

De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament uit de tijd van Jezus, heeft steevast het woord hades gebruikt om sheol mee te vertalen. Dus we moeten dat Griekse woord kennelijk verstaan zoals we het Hebreeuwse woord sheol verstaan. Maar het woord hades heeft in de Griekse mythologie ook een behoorlijke geschiedenis. Volgens de Grieken was Hades de god van de onderwereld. Later werd zowel de godheid als zijn onderwereld aangeduid met het zelfde woord: hades. Het feit dat de huidige vertalingen kiezen voor de weergave ‘dodenrijk’ betekent op zijn minst dat we de Griekse mythologie hebben laten meewegen in de woordkeus. Maar sinds wanneer bepalen de Grieken hoe wij onze bijbel moeten verstaan?

We kunnen toch beter uitgaan van de betekenis van de Hebreeuwse term sheol? Immers, bij vertaling is het zaak de betekenis van de oorspronkelijke tekst zo goed mogelijk weer te geven in de vertaling. De betekenis van de vertaling is gelegen in het origineel, niet andersom. Dus ook al had het Griekse woord ook een betekenis in de heidenwereld, bij het verstaan van de bijbel is dat nauwelijks van belang. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord is bepalend. En dat woord betekent niet ‘onderwereld’ maar ‘onbekend’.

Als we de mythologie even naast ons neerleggen en slechts kijken naar de elementaire betekenis van het woord hades, wordt alles een stuk duidelijker. Een analyse van het woord hades geeft de elementen a-(i)des. En dat betekent niet-zien! De reden dat hades een geschikt vertaalwoord bleek voor sheol is niet gelegen in de Griekse mythologie, maar in de essentie van het woord. Ook hades heeft een ingebouwde onzekerheid, een niet-weten. Sheol betekent ‘onbekend’ en hades betekent ‘ongezien’. Gewoon weg.

Laten we eens kijken wat deze onzekere onderstroom ons oplevert wanneer we de teksten bezien waar van het dodenrijk wordt gesproken. De opbrengst zal natuurlijk veel minder opzienbarend zijn dan wanneer we een eeuw geleden zouden leven. Toen was de Statenvertaling de meest gelezen bijbel, en zou er niet ‘dodenrijk’ maar ‘hel’ hebben gestaan. En net zoals hades bij de Grieken heeft de hel in ons taalgebied een beetje een moeilijke jeugd gehad.

De eerste keer dat het dodenrijk genoemd wordt in het Nieuwe Testament is in een profetie van Jezus. Hij sprak tot de stad Kapernaüm de volgende woorden:

En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk [ongeziene] zult gij nederdalen; want indien in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden. – Mat. 11:23 (zie ook Luk. 10:15)

Dit lijkt wel een doodvonnis over de inwoners van deze stad. Echter, nergens staat dat ze stierven. Natuurlijk zal iedere inwoner zijn laatste adem eens uitblazen. Maar dat is geen vonnis, dat is een feit. Iedereen sterft een keer, daar hoeft Jezus hen niet aan te herinneren. Dus wat bedoelde Jezus dan? Was het een vonnis naar het nare deel van het dodenrijk per de traditionele zienswijze (mocht je nog niet overtuigd zijn van de onhoudbaarheid van die visie)? Onwaarschijnlijk, en bovendien ongedaan gemaakt. Immers, Jezus zei: “Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34). Zou dit pardon hebben gegolden voor alle opstandige volksgenoten behalve Kapernaüm? Dat moet haast wel, want anders zou de profetie van onze Heer niet uitkomen. Of voorzegde Jezus heel wat anders?

Als we de omliggende teksten bezien, worden daar verschillende steden aangesproken, waaronder Sodom. Of beter: het land van Sodom (vs. 24). Deze landstreek heeft een huiveringwekkende historie, eindigend in volledige vernietiging. Niet alleen de mensen bestierven het, op de dag dat Lot vluchtte. Heel de stad, nee zelfs de landstreek werd verwoest, die dag. En tot op de dag van vandaag is er geen spoor meer van de stad of de streek te vinden. Weg. Niet meer te zien. Hades. En wie een eeuw geleden op zoek zou zijn gegaan naar de stad Kapernaüm zou tot de zelfde conclusie komen. De stad was er niet meer. Weg. Hades. Van de zevende tot de twintigste eeuw was de stad spoorloos. Dat is meer dan een millenium! Pas aan het begin van de vorige eeuw zijn de ruïnes van de stad blootgelegd. Jezus sprak dus wel degelijk profetische woorden. Maar dan moeten we de tekst ruimer begrijpen dan de vertaling ‘dodenrijk’ suggereert. Niet alleen de inwoners zijn gestorven, heel de stad was lange tijd in hades!

In Mattheüs wordt nog eens van het dodenrijk gesproken:

En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk [ongeziene] zullen haar niet overweldigen. – Mat. 16:18

De poorten waren vanouds de plaatsen van waaruit de bestuurders een stad regeerden. Deze poorten hebben dus te maken met de overheden en machten van het dodenrijk. De gebruikelijke vertaling zou ons doen denken dat het hier alleen gaat om deze specifieke machthebbers. Alleen de heersers van het dodenrijk zouden tegen de gemeente gekant zijn. Maar dat is merkwaardig, want hordes duistere machten zullen zich weldra tegen de heiligen keren. Niet slechts een paar.

Als we hier lezen: de poorten van het ongeziene, ofwel de onzichtbare overheden en machten (zie ook Ef. 6:12), wordt wordt de volle omvang van de uitspraak van Jezus duidelijk. Jezus lijkt hier Jes. 28:18 te citeren (lees vanaf vers 12), waar het verwachte Messiaanse Koninkrijk wordt voorzegd. En de komst van het Koninkrijk is het hoofdthema van het boek Openbaring. Hierin staat duidelijk beschreven hoe Satan diverse heerschappen zal inzetten in de strijd tegen de gemeente (zie bijvoorbeeld Openbaring 12 en 13). Niet slechts die van het dodenrijk, maar allerlei ongure types.

De laatste tekst in de Evangeliën waar het dodenrijk voorkomt is de passage van de rijke man en de arme Lazarus. Hier wordt hades gebruikt in het verband van de dood van mensen. Dat levert geen merkwaardigheden op, want zo gebruiken we het woord meestal. In Handelingen wordt nog twee keer van het dodenrijk gesproken (Hand. 2:27 en Hand. 2:31) in het verband van het sterven en de opstanding van onze Heer. Ook deze passages zullen dus geen nieuwe invalshoeken opleveren. De resterende keren dat het woord voorkomt vinden we in het boek Openbaring (Op. 1:18, Op. 6:8, Op. 20:13,14). Dit is echter een boek vol symboliek en personificatie, geen plek om op zoek te gaan naar strikt woordgebruik. Als we er al iets uit kunnen halen is het dat het dodenrijk vaak doelt op een macht, een heerser. Geheel in lijn met het voorgaande over de onzichtbare overheden.

Zie je dat de vertaling van hades met dodenrijk niet volledig dekkend is? Het is een prima vertaling, als het over mensen gaat. Bedenk dan alleen dat de onderliggende definitie een onzekerheid of onzichtbaarheid in zich heeft. Dat behoedt ons voor kruisbestuiving vanuit heidense mythologie en levert niets in op ons begrip van de tekst. De winst die we met deze woordstudie boeken lijkt misschien een beetje karig. Maar de echte waarde zal blijken in het volgende artikel, waar ik zal uitdiepen wat de dood naar bijbelse begrippen eigenlijk is.

<< vorige  volgende >>
  1. Thamara / feb 25 2012

    Zeer interessante blog weer! Ik ga dit zeker nog eens rustig nalezen en Bijbelverzen opzoeken. Bedankt! 🙂

reageer