Skip to content

lazarus

Het gonsde de afgelopen weken in de christelijke media. De hel stond ter discussie! En al ben ik niet onder de indruk van de inzichten die werden geëtaleerd, ik ben blij dat zulke belangrijke dogma’s in de openheid bevraagd kunnen worden. De geschiedenis leert dat dat wel eens anders is geweest.

Je kunt bijna niet over de hel praten zonder aandacht te besteden aan de passage van de rijke man en de arme Lazarus. Veel van de algemene voorstelling van de hel wordt hieraan ontleend. Vandaar dat ik die gelijkenis de komende tijd eens flink onder de loep wil nemen. Want ik vraag me af of we deze beruchte woorden van Jezus wel helemaal goed begrepen hebben.

Als we de tekst letterlijk nemen komen we in diverse problemen. Dat heb ik hier en hier al eens eerder laten zien. Alleen al op grond daarvan zouden we de passage als beeldspraak, als een gelijkenis moeten begrijpen. Maar in die artikelen ik heb vrijwel alleen maar laten zien wat de tekst volgens mij niet kan betekenen. Ik heb nog nauwelijks laten zien hoe we het verhaal wel kunnen verstaan. Daar wil ik het nu eens met je over hebben. Je zult zien er nog veel meer redenen zijn om de passage als een gelijkenis te begrijpen.

Elke bijbelstudent weet dat je bij de tekst die je leest enkele vragen moet beantwoorden. De zogenaamde wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe-vragen. Toegepast op onze situatie zou je de vragen zo kunnen formuleren: Wie spreekt er en waarom? Waar spreekt hij en wanneer? Wat zegt hij en hoe zegt hij het? Hiermee kun je in kaart brengen wat we geacht worden al te weten wanneer de beruchte gelijkenis wordt verteld.

waar en wanneer

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus staat aan het einde van Lukas hoofdstuk 16. Maar voor het waar en wanneer moeten we helemaal terugbladeren naar hoofdstuk 14. Dat hoofdstuk begint met: “En het geschiedde toen Hij op sabbat in het huis van een der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen” (Luk. 14:1). Dus daar was Jezus, bij een hoofdman van de Farizeeën thuis, op een sabbat.

wie en waarom

Bij deze hoofdman hield Jezus de langste toespraak die van Hem in de bijbel is opgenomen. De Farizeeën hielden Jezus scherp in de gaten, maar Hij hen ook. Hoofdstuk 14 beschrijft hoe Hij het positiespel van de vooraanstaande gasten afkeurde. Een ereplaats zou je gegeven moeten worden, die moest je niet nemen. Ook liet Hij de schare die Hem volgde weten dat het niet makkelijk zou zijn om een discipel van Hem te worden. Maar de aanleiding van de serie gelijkenissen waar ook de rijke man en de arme Lazarus bij hoort vinden we aan het begin van hoofdstuk 15. In het tweede vers van dat hoofdstuk staat: “En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen.” (Luk. 15:2). De verhalen zijn een reactie op dat gemopper.

wat en hoe

Jezus vertelde vijf afzonderlijke gelijkenissen. Vier ervan direct gericht tot de Farizeeën en schriftgeleerden, en een tot de discipelen. De eerste vier worden doorgaans als gelijkenis begrepen, maar de vijfde, die van de rijke man en de arme Lazarus, niet. Terwijl alleen het eerste verhaal een gelijkenis wordt genoemd. Bij alle volgende verhalen staat het er niet bij! Toch heeft men er geen moeite mee ook de tweede, derde en vierde als gelijkenis te herkennen. Maar de laatste is anders, vindt men. Is dat ook zo?

Kijk eens goed naar de aanvang van de verhalen. Het eerste verhaal begint met: “En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: […]”. Het tweede verhaal begint met: “of welke vrouw […]”, het derde met “En Hij zeide […]”, het vierde met “Hij zeide ook […]” en de passage van de rijke man en de arme Lazarus begint met: “En er was een rijk man […]”. Het lijkt er op dat de verhalen aan elkaar gekoppeld zijn, als één samenhangende toespraak met een centraal thema. Ook het laatste verhaal. En als de eerste vier gelijkenissen zijn, is de laatste dat toch ook?

De reden dat we moeite hebben de rijke man en de arme Lazarus als gelijkenis te lezen is de hoeveelheid details die Jezus noemde. En bovendien is dit het enige verhaal (en zelfs de enige gelijkenis uit de mond van Jezus) waar een van de figuranten een naam kreeg. Als er namen genoemd worden, is het toch niet algemeen meer? Toch wel, meen ik, ondanks de naam – of misschien juist wel dankzij. Maar daarover later meer.

aanloop

We hadden al gezien dat het gemopper van de Farizeeën en schriftgeleerden de aanleiding was van Jezus’ toespraak. Let ook eens op hoe de tekst verder gaat:

Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zeide: […] – Luk. 15:1-3

Jezus sprak tot hen, de Farizeeën en schriftgeleerden. Hij begon met de bekende gelijkenis van het verloren schaap. Jezus lichtte de gelijkenis toe met de woorden: “Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.” (Luk. 15:7). De Farizeeën en schriftgeleerden begrepen wel dat zij de rechtvaardige negenennegentig waren. De zondaar die zich bekeert, dat waren dan de zondaars waar Jezus mee omging.

Daarop vertelde Jezus de gelijkenis van de verloren penning, en Hij eindigde met de volgende woorden: “Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.” (Luk. 15:10). Opnieuw verloren en gevonden worden, zonde en bekering. De Farizeeën en schriftgeleerden zagen zichzelf weergegeven als rechtvaardigen die geen bekering nodig hadden. Ze kwamen er goed vanaf, tot dusver.

Maar toen vertelde Jezus het verhaal van de verloren zoon. Het zelfde thema als de voorgaande twee gelijkenissen, maar nu werd de houding van de rechtvaardigen aangeroerd. Twee zoons, de oudste een trouw dienaar, de jongste een wildebras. En ditmaal gaf Jezus geen toelichting, maar de slotwoorden zijn niettemin veelzeggend:

Maar hij [de oudste zoon – GdB] antwoordde en zeide tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitebokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon [de jongste zoon – GdB] van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten. Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden. – Luk. 15:29-32

Werden de Farizeeërs en schriftgeleerden in de vorige twee gelijkenissen nog rechtvaardigen genoemd, hier toonde Jezus hen afgunstig. Want zij begrepen dondersgoed dat zij de oudste zoon waren uit het verhaal. We beginnen te merken hoe Jezus het gemopper van de Farizeeën verbindt aan een houding van verdienste. Zij hadden rechten opgebouwd door hun trouwe dienst, meenden ze, en daarom keken ze neer op de zondaars.

Maar Jezus was nog lang niet klaar. Hij vertelde nog een verhaal. We zijn nu aan het begin van hoofdstuk 16. Jezus richtte Zich hier tot zijn discipelen, maar wel op zo’n volume dat de Farizeeën en schriftgeleerden het konden horen (vs. 14). Het verhaal begint met “er was een rijk man”, en dan volgt het verhaal van de rijke en zijn rentmeester. De rentmeester zou ontslagen worden, en hij ging onjuist om met de schatten van de rijke om zijn eigen hachje te redden. Ditmaal waren de Farizeeën de onrechtvaardige rentmeester, en dat begrepen ze zeer goed (vs. 14). Jezus verweet hen hier dat zelfs hun vermeende rechtvaardigheid en trouwe dienst in helemaal niet rechtvaardig en trouw was geweest.

Jezus raakte een gevoelige snaar, blijkt uit dat veertiende vers: “Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem.” (Luk. 16:14). Je ziet dat de gelijkenissen alsmaar grimmiger worden. Want hier liet Jezus hen weten dat hun geldzucht ze diskwalificeert als rentmeesters van “het ware goed”. Hoe geweldig ze zichzelf ook vonden, Jezus wist hun te vertellen: “Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God.” (Luk. 16:15).

Je kunt je voorstellen hoe de sfeer zal zijn geweest, na deze vier verhalen. Samengeknepen kaken en vuurspuwende ogen, als je het mij vraagt. Jezus verweet de Farizeeën dat ze hooghartig en afgunstig waren en Hij laakte hun geldgierigheid, en pas dan volgt het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus. Welke rijke man zou dat nou zijn?

En er was een rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag schitterend feest hield. En er was een bedelaar, Lazarus genaamd, vol zweren, nedergelegd bij zijn voorportaal, die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel; zelfs kwamen de honden zijn zweren likken. Het geschiedde, dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind, herinner u, hoe gij het goede tijdens uw leven hebt ontvangen en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn. En bij dit alles, er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen. Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen. – Luk. 16:19-31

Zie je hoe de gelijkenis al anders klinkt als je de setting en de inleiding goed hebt bekeken? Voor de gebruikelijke zienswijze – het idee dat Jezus het hier over de hel zou hebben – wordt vaak maar een klein gedeelte van het verhaal geïnterpreteerd. Dat deel heb ik in de tekst met cursieve letters aangegeven. Met vetgedrukte letters heb ik de details aangegeven die deze gelijkenis zo bijzonder maken. Zoals je ziet is de gelijkenis veel groter dan het cursieve deel, en worden veel van de details juist buiten het schuingeschreven stuk gegeven.

In de komende weken zal ik je laten zien wat ik denk dat deze details betekenen, en welke invloed dat heeft op de betekenis van het verhaal. Maar voordat ik het verklap kun je misschien zelf alvast eens zoeken naar de betekenis van purper en linnen in de bijbel, of hoe vuur en vlammen worden gebruikt, waar de naam Lazarus nog meer voorkomt, en welke bijbelse persoon vijf broers had. Als elk woord in de bijbel belangrijk is, dan zeker deze details. Speur je mee?

volgende >>

  1. Thamara / mei 17 2012

    Weer een verbazingwekkend mooie blog, Goswin! Ik krijg al zin om te speuren. Het is inderdaad heel bijzonder om te zien waarom Jezus deze gelijkenis vertelde. Waar hij was en met wie hij sprak zijn belangrijke punten. Bedankt en kijk natuurlijk weer uit naar de volgende!

Trackbacks and Pingbacks

  1. De hel 17 - m-studies
  2. Goswin de Boer - m-studies
reageer