Skip to content

wie is het?

Dit is het tweede deel uit de serie over de rijke man en de arme Lazarus. Klik hier voor het eerste deel.

In het vorige artikel zagen we al dat de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus niet op zichzelf staat. Er gaat een aantal gelijkenissen aan vooraf. En al is dit veruit de meest uitgebreide, de voorgaande verhalen zijn daarom niet minder belangrijk. Steeds weer figureerden de zelfde personen: de Farizeeën aan de ene kant, en de zondige scharen aan de andere kant. Is dat nu ook weer zo?

Het is belangrijk om te weten over wie het gaat. Als de Telegraaf een scheldpartij kopt, dan maakt het nogal verschil of de schreeuwlelijk een dronkaard was of de Dalai Lama. Het verhaal is gelijk, maar de persoon in kwestie maakt het bijzonder. Dus de vraag die we ons in dit artikel stellen is: wie was die rijke man? En wie was die Lazarus?

Eén uitleg is dat we inderdaad, net als in de voorgaande gelijkenissen, te maken hebben met de Farizeeërs en de zondige (Joodse) scharen. In de tijd van de vroege kerkvaders werd de passage ook wel zo uitgelegd dat de rijke man de Joodse natie als geheel zou voorstellen en de arme Lazarus de heidenvolkeren. En weer een andere visie is dat Jezus hier de Farizeese lering omtrent de doden bestrijdt door het als een scherts of satire uit te spelen. De kern zou dan zijn dat Lazarus dezelfde persoon zou zijn als in Joh. 11, en dat zijn opstanding geen bekering zou bewerken (of het zou wijzen op de opstanding van Jezus zelf – hoe dan ook, beide opstandingen hebben inderdaad geen bekering van het volk bewerkt).

Al deze lezingen geven een gezondere uitleg van de passage dan de visie dat we hier met een geschiedenis te maken hebben – een doorkijkje in de hel. Maar welke is de juiste? Voor alle drie valt wel wat te zeggen, maar er is nog een identificatie, fascinerender dan deze. Deze wil ik je niet onthouden, maar ik wil je ook de argumenten voor de andere visies laten zien. Laten we de gelijkenis stapvoets doorlopen en zien wat we tegenkomen. Gaandeweg zullen bijna alle details uit het verhaal voorbij komen, en je zult zien op welke manier ze de betekenis van het verhaal bepalen.

[De Statenvertaling begint de passage met: “en er was een zeker rijk mens”. Deze aanhef wordt soms gebruikt als bewijs dat er niet over een groep mensen of een volk gesproken kan worden. Immers, het was een zeker man. Iemand, één persoon. Jezus zou een geschiedenis vertellen, en geen gelijkenis. Dit is een zeer zwakke argumentatie. Want de twee voorgaande gelijkenissen beginnen precies zo, en die worden zonder problemen als gelijkenis herkend. Gelijkenissen waarin groepen mensen figureren. Jezus begint zijn gelijkenissen juist heel vaak op die manier. Als we dit woord willen laten meewegen in de bewijsvoering pleit het juist vóór een gelijkenis, niet tegen.]

de rijke man

Van de rijke man weten we een paar dingen. Hij droeg purper en fijn linnen. Purper wordt vaak aan heerschappij en koningschap gekoppeld (Ri. 8:26, Dan. 5:7). Denk ook aan de passage van Jezus’ lijden: de soldaten deden Hem een doornenkroon op, kleedden Hem in purper en riepen “Gegroet, koning der Joden” (Joh. 19:2,3). Linnen kledij hoorde bij een priester (Ex. 39:27, Lev. 6:10, Lev. 16:3,4). En purper en linnen samen kennen we onder andere van het gewaad van Aaron, de hogepriester (Ex. 28). Priesters hadden, naast de dienst in de tempel, vooral als taak het volk te onderwijzen aangaande de wet (2 Kron. 15:3, Mal. 2:7). De beschrijving “purper en fijn linnen” is dus heel veelzeggend. Het plaatst de rijke man in een Joodse context, en wel die van een onderwijzer met gezag. Of in bijbelse bewoordingen: een koninklijk priester. En ook die term is weer een typisch Joodse aanduiding (Ex. 19:6).

Maar dat is nog niet alles wat we van de rijke man weten. De rijke sprak Abraham aan met vader (Luk. 16:24). En Abraham noemde de rijke man kind (vs. 25). Kind van Abraham was opnieuw een typische manier om een Jood mee aan te duiden (Ps. 105:6, Joh. 8:39). Abraham zei dat de broers van de rijke “Mozes en de profeten” hadden – de Tenach, ons Oude Testament. en ook dat gold slechts voor de Joden in die dagen. Maar er is nog meer. Een eigenschap die we nog niet hebben gebruikt is het gegeven dat de rijke man vijf broers had. Een bijbelse persoon die vijf broers had (bij dezelfde moeder) was Juda. En laat de term Jood nu direct zijn afgeleid van de naam van Juda.

Hoe je het ook benadert, dat de rijke man een Jood voorstelt lijkt me buiten kijf. Dat het gaat om een vooraanstaande Jood, een leider en leraar is ook duidelijk. En gegeven het feit dat ze in de voorgaande vier gelijkenissen ook figureerden, lijkt het me zonneklaar dat hier opnieuw de Farizeeërs worden afgebeeld. Maar enkele aanwijzingen zijn ruimer dan dat. Ze geven de indruk dat het Joodse volk in het algemeen wordt beschreven. Als dat zou kloppen, in welke zin was het volk dan rijk? Als Paulus deze vraag mocht beantwoorden zou hij zeggen:

immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. – Rom. 9:4,5

De beloften aan het volk gaan terug tot aan Abraham. Volken en koningen, het Beloofde Land en het verbond, dit alles werd Abraham al toegezegd. Vandaar dat een Jood ook graag een kind van Abraham genoemd wilde worden. Het Joodse volk was rijk gezegend onder de volkeren.

de arme Lazarus

Wie was Lazarus? In de voorgaande vier gelijkenissen waren het steeds de zondige scharen die tegenover de Farizeeërs werden geplaatst. Maar is dat hier ook weer zo? In het verhaal zijn enkele kenmerken van hem te ontdekken.

Lazarus was een bedelaar. Hij lag voor de poort van de rijke, en hij had zweren. Wij denken bij rijk en arm vaak meteen aan geld, maar we hadden al gezien dat rijkdom veel ruimer opgevat kan worden. Neem nou het verbond. De Joden hadden een bonus-malus regeling afgesproken met God: de wet. Hielden ze zich aan de regels, dan zou het hun voorspoedig gaan. Maar deden ze dat niet, dan zouden ze getroffen worden door allerlei onheil en narigheid (Deut. 28). Narigheid zoals zweren (vs. 27 en 35). De zweren van Lazarus wezen dus op zijn zonde. Dit doet denken aan de scharen. Zij waren Joden, zij leefden onder het verbond, maar ze hielden de wet niet zoals de Farizeeërs. Zij waren zondig, zij hadden zweren.

Maar we lezen ook van Lazarus dat hij voor de poort van de rijke lag. En dat hij verlangde de kruimels van de tafel van de rijke te eten. De beschrijving “de poort van de rijke” doet natuurlijk denken aan Deuteronomium 15:

Wanneer er onder u een arme mocht zijn, een van uw broeders, in een van uw woonplaatsen [SV: in een uwer poorten], in het land, dat de HERE, uw God, u geven zal, dan zult gij uw hart niet verstokken noch uw hand gesloten houden voor uw arme broeder, maar gij zult uw hand wijd voor hem openen en hem met mildheid lenen, voldoende voor wat hem ontbreekt. – Deut. 15:7,8

Maar het doet ook denken aan de oudtestamentische term “de vreemdeling binnen uw poorten”. In de Joodse volksmond wordt een tot het jodendom bekeerde heiden ook vaak een proseliet van de poort genoemd. En de kruimels doen ons natuurlijk meteen denken aan de uitspraak van de Kananese (Syro-Fenicische) vrouw (Mat. 15:21-28 en Mar. 7:24-28). Zij wist zich een heiden, een ‘hond’ zoals de Joden hen destijds aanduidden. Maar ze wist ook dat de honden van de kruimels van de tafel mochten eten. Het lijkt erop dat Lazarus niet meer alleen de Joodse zondaars uitbeeldt. Net zoals de rijke niet meer alleen lijkt te wijzen naar de Farizeeërs.

Laten we met deze gedachten in ons achterhoofd eens kijken naar de naam. Waarom noemde Jezus hem zo? Ik had je als huiswerk opgegeven de naam Lazarus eens op te zoeken. Maar dat was eigenlijk een beetje flauw, want die vind je maar één keer terug in de bijbel, namelijk in de passage over de gestorven Lazarus die door Jezus werd opgewekt (Joh. 11). Dood en opstanding komen overeen, maar meer parallellen zijn er niet. De andere kenmerken van deze Lazarus worden hiermee niet verklaard. Maar een blik in een lexicon geeft ons nog een andere mogelijkheid: de naam Lazarus wordt door de meeste woordenboeken gekoppeld aan de Hebreeuwse naam Elazar of Eliëzer. En die naam vinden we veel vaker in de bijbel. Een van de zonen van Aaron heet Eliëzer. Maar dat is geen heiden. Een Eliëzer die ook nog voldoet aan de beschrijving “vreemdeling binnen de poort” is de slaaf van Abraham, de trouwe dienstknecht die een vrouw voor Izaak moest zoeken. Dezelfde Abraham die in deze gelijkenis ook nog wordt opgevoerd, de voorvader van het Joodse volk die al die beloften, al die rijkdom kreeg.

Abraham (toen nog Abram) en Sara konden lange tijd geen kinderen krijgen, en Abram verzuchtte tegen God: “Here HERE, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliëzer zijn.” (Gen. 15:2). Als er geen erfgenaam zou komen zou Eliëzer al Abram’s rijkdom krijgen! Maar Abram bleef niet kinderloos. Hij kreeg Ismaël bij zijn slavin Hagar. Hiermee was de erfenis in principe niet meer in handen van Eliëzer, maar God besliste anders:

“En Abraham zeide tot God: Och, mocht Ismaël voor uw aangezicht leven! Maar God zeide: Neen, […]” – Gen. 17:18,19a

Had Eliëzer dan alsnog recht op de rijkdom? God vervolgt:

“[…] uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht.” – Gen. 17:19

God zou nog een zoon geven, en zijn nageslacht zou de beloften krijgen die aan Abraham gegeven waren. Dus Eliëzer moest alsnog plaats maken voor een echte erfgenaam. Althans, als Izaak nageslacht kreeg. Lees met deze achtergrond eens welke opdracht Abraham aan Eliëzer gaf:

En Abraham zeide tot zijn knecht, de oudste in zijn huis, die alles wat hij had bestuurde: Leg toch uw hand onder mijn heup, opdat ik u doe zweren bij de HERE, de God des hemels en der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon. Maar gij zult naar mijn land en naar mijn maagschap gaan om een vrouw te nemen voor mijn zoon Isaak. – Gen. 24:2-4

Eliëzer moest een vrouw zoeken voor Izaak. Dat zou betekenen dat zijn aanspraak op de bezittingen welhaast helemaal verkeken zou zijn. Maar hij ging. Hij was trouw aan zijn heer, al kostte het hem alles. Doet dit jou ook denken aan de voorgaande gelijkenis over het rentmeesterschap? De Farizeeërs hadden gefaald in hun beheer. Jezus verweet hen ontrouw. En dan laat Jezus Lazarus opkomen als hun tegenspeler. De proseliet van de poort die wèl trouw was geweest.

[Dat Lazarus de slaaf Eliëzer uitbeeldt is niet mijn eigen vondst, maar dr. Ernest L. Martin presenteerde de gedachtegang al jaren geleden [link]. En hij geeft in zijn artikel aan dat de zienswijze al in de negentiende eeuw werd voorgesteld door ene Geiger.]

Lazarus had zweren, en de honden likten ze. De honden waren de heidenen, hadden we al gezien. Dit lijkt opnieuw te wijzen op de geldzucht van de Farizeeën. Want sommige van de heidenen waren ruimhartige gevers, zoals de hoofdman Cornelius (Hand. 10:1,2). Zij kwamen de ellende van de armen te hulp. De Farizeeën maakten zich er handig van af met woorden als: “het is een offergave” (Mar. 7:10-12, denk ook aan Jak. 2:15,16) en “in het hiernamaals zul je het beter hebben” (vrij naar Luk. 16:25). Ze waren niet vrijgevig, en ze hadden allerlei overleveringen bedacht om hun wangedrag te rechtvaardigen (Mar. 7:13).

tussenstand

Dat we met een gedetailleerde gelijkenis te maken hadden wisten we al. Maar zie je hoe veel rijker de gelijkenis wordt als je de details gaat naspeuren? En dan zijn we we zijn nog niet eens aan het verhaal begonnen! Laten we eens samenvatten wat we tot nu toe hebben gevonden.

De rijke man is een Jood, een man van status, een Farizeeër. Maar hij zou ook wel eens figuur kunnen staan voor het hele joodse volk, zoals in de vroege kerk al werd geopperd. Lazarus is een bedelaar, vol zweren. Een Joodse zondaar. Maar misschien beeldt hij ook wel een niet-Jood uit, de heiden Eliëzer. Dat Jezus de zondige schare verkoos boven de fanatieke wetsdienaars, wisten we zonder deze gelijkenis ook wel. Zou Jezus hier misschien een tipje van de sluier oplichten over de ondergang van het volk van God? Zij die rijk waren onder de natieën zouden hun rijkdom verspelen. God zou zijn bemoeienis met het verbondsvolk opschorten en de heidenen zouden in beeld komen. Jezus had ook al in de gelijkenis over het feestmaal iets dergelijks voorzegd (Luk. 14:15-24) en in het boek Handelingen zien we het gebeuren. Deze gelijkenis lijkt inderdaad ook op deze catastrofe vooruit te wijzen, maar dat zullen we de volgende keer zien.

<< vorige  volgende >>
  1. pietsje / jun 4 2012

    Hoi Goswin,

    Goed stuk hoor, ik ben natuurlijk ook even wezen speuren naar aanleiding van jou vraag om op zoek te gaan naar de 5 broers van deze rijke man, gelukkig vond ik de oplossing bij Andre Piet z,n stuk, over dit gedeelte.
    Jij schreef dat het de 5 broers van Juda/Joden zijn, maar zou het ook kunnen zijn dat het de 5 broers van Levi/Farizeeën/Schriftgeleerden zijn?.
    In Genisis 35:23 vond ik het volgende:
    Lea baarde 6 zonen: 1e Ruben, 2e Simeon, 3e Levi,
    4e Juda, 5e Issachar, 6e Zebulon

    Lea’s dienstmaagd Zilpa baarde: 1e Gad, 2e Asser.

    Mijn conclusie is dan dat de 5 broers die in dit gedeelte bedoeld
    worden allemaal zonen die door Lea zijn gebaard.

    groeten Pietsje

  2. goswindeboer.nl / jun 6 2012

    he Pietsje

    Bedankt voor je reactie. Dat is een goede vraag! Ik heb, om het compact te houden, niet nader uitgelegd waarom ik Juda selecteer, want er zijn inderdaad nog vijf opties. Al de zonen van Lea hadden vijf broers. Maar we zoeken een koning en een priester, dus blijven alleen Juda en Levi over, zoals jij al had gevonden. Het koningschap voor Juda, en het priesterschap voor Levi. Maar we zoeken iemand die beide is. Van Levi wordt niet vermeld dat daaruit een koning zal komen, en van Juda wordt niets over een priester gezegd. Paulus behandelt dit ‘probleem’ in zijn brief aan de Hebreeën:

    het is immers duidelijk, dat onze Here uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft. – Heb. 7:14

    Onze Heer is uit Juda, en toch wordt Hij de Hogepriester. Paulus brengt Melchisedek naar voren om te verklaren hoe uit Juda een priester kan voortkomen. Melchisedek was priester ten tijde van Abraham, ver voordat Levi werd geboren. Dus er is priesterschap buiten Levi, maar geen koningschap buiten Juda.

    Over de zonen van Lea, je hebt gelijk! Ze zijn inderdaad alle zes van haar. Zilpa heeft er ook een aantal gebaard, maar die worden apart vermeld. Dank voor de correctie! Ik heb het aangepast.

reageer