Skip to content

volkswijdsheid

Dit is het laatste deel uit de serie over de rijke man en de arme Lazarus. Klik hier voor het eerste deel.

In dit laatste deel van de serie wil ik de meest opmerkelijke uitleg van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus verder uitwerken. De uitleg die de gelijkenis verklaart als een nationale (of etnische) profetie, en die in Lazarus de heidenen ziet afgebeeld. Veel is al in de vorige artikelen aan bod gekomen, dus ik kan in dit laatste deel wat grotere passen nemen.

tot zover

Laten we eerst even kort doornemen wat we al weten. De rijke man was een beeld van het volk Israël. Het purper en het linnen wees naar het koninklijke priesterschap wat aan dit volk was toegezegd. Om de identiteit van de rijke zeker te stellen liet Jezus de rijke man Abraham “vader” noemen, en Abraham antwoorden met “zoon”. En via de vijf broers wees het verhaal specifiek naar Juda, één van de twaalf stamvaders. De naam waar de term ‘Jood’ aan is ontleend.

Lazarus was een plaatje van de heidenvolken, langs Eliëzer, de knecht van Abraham. Omdat zijn meester kinderloos bleef had hij aanspraak op de bezittingen van Abraham (Gen. 15:2). Maar God voorzag in een zoon, en de rijkdom van Abraham zou overgaan op Izaäk en zijn nageslacht. Eliëzer moest op zoek gaan voor een vrouw voor Izaäk, de jongen die alles zou krijgen wat hem eens toekwam. En Eliëzer ging. Hij vond een vrouw, en verklaarde aan haar broer:

En Sara, de vrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit. – Gen. 24:36

Alles wat eens van hem had kunnen zijn was nu rechtens van de zoon van Abraham. Maar alle teleurstelling en het eigen verlies ten spijt, Eliëzer ging. Eens was hij rijk. Nu had hij niets meer. Hij was een bedelaar…

Deze gelijkenis is de enige uit de mond van Jezus waar iemand bij de naam genoemd wordt. Dat is natuurlijk niet toevallig. Die naam moest de gedachten van de toehoorders prikkelen. Zij kenden het Oude Testament (de Tenach) tot in de puntjes, zeker de Farizeeën en schriftgeleerden. De naam Lazarus en Abraham in één verhaal zal ongetwijfeld de gedachten op Eliëzer hebben gericht. De heiden die gehoorzaam bleef aan zijn heer, koste wat het kost.

Deze trouw vormt een brug met de voorgaande gelijkenis (net als de geweigerde kruimels van de tafel). Jezus had de Farizeeën en schriftgeleerden, de zelfverkozen helden van de deugd, gewezen op hun wanbeheer. Zij waren de onrechtvaardige rentmeester van het voorgaande verhaal. Jezus had het daarbij kunnen laten. Maar Hij vertelt nog een gelijkenis om te laten zien hoe het ook kan. Hij brengt Eliëzer naar voren, die zijn heer wèl goed had gediend – een heiden notabene! Wat een pijnlijke contrast – en wat een illustratie van ware trouw. Deze trouw zou niet onbeloond blijven, zo blijkt uit het vervolg van de gelijkenis.

landjepik

De rijkdom van Abraham was niet slechts bezit. God had Abraham rijk gezegend met goederen, maar Hij had hem ook een land beloofd. Niet meer leven als een nomade, maar vaste grond onder de voeten, een thuis. Ook dat zou Eliëzer hebben gekregen, als zijn heer kinderloos gestorven was. Nu, nadat Izaäk geboren was, zou hij dat allemaal moeten missen. Eliëzer was als het ware uit het land gezet, buitengeworpen. Eens de rechtmatige grondbezitter van land over de Jordaan, maar nu een bijwoner, een vreemdeling in de poort.

Jezus laat zien dat dat eens zal worden omgekeerd. Net als in vele andere gelijkenissen die Hij heeft gegeven. Want elders lezen we ook dat dat de mensen die meenden te mogen binnengaan zullen worden geweigerd (Mat. 7:21-23). Dat het Koninkrijk vele mensen zou verwelkomen, maar slechts weinig van het uitverkorenen volk (Mat. 22:14). Dat zij van een afstand zullen moeten toezien hoe heidenen hun plaatsen innemen (Mat. 21:43). Dat niet de genodigden, maar de lammen en blinden, de mensen van de straat, de bedelaars zouden mogen komen (Luk. 14:21-24). Dat de heidenvolken van oost en west zullen komen en ingaan, maar dat de kinderen van het Koninkrijk zullen worden buitengeworpen (Mat. 8:11,12). Zoals eens Eliëzer werd buitengeworpen. En zoals de meerderheid van het uitverkoren volk al eens eerder bij de grens werd geweerd. Je weet wel, omdat ze geen gehoor gaven aan het getuigenis van Jozua (Num. 14:22-31).

kloof

En als vanzelf komt de kloof uit de gelijkenis in beeld. Want met de landkaart van Israël voor ogen springt één kloof als vanzelf in het oog: de Jordaanvallei. Iedereen die wel eens in Israël is geweest heeft de Jordaan kunnen zien. Het is niet een rivier zoals wij die kennen: stromend water met een wal. De Jordaan stroomt door een diepe vallei, een breuklijn (de Engelsen noemen het zelfs “the Jordan rift valley”). Geen walkant maar een bergwand, een afgrond, een kloof.

De Jordaan is in de bijbel onlosmakelijk verbonden met de belofte. Immers, vroeger, onder leiding van Jozua, kon het volk het land pas innemen nadat het de Jordaan had overgestoken. De oversteek is dan ook een beeld geworden van de verlossing van het volk. Het einde van de woestijnperiode, het bereiken van de bestemming. De doortocht kwam symbool te staan voor het ingaan in het Koninkrijk (zie Heb. 3 en 4). Straks, onder leiding van de ware Jozua: Jezus de Messias.

Maar de aandacht wordt niet alleen op de Jordaan gericht omdat we de kloof geografisch benaderen. Er zit nog een aanwijzing in de tekst verstopt, en wel in de grondtekst.

er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof, opdat zij, die vanhier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan onze kant zouden kunnen komen – Luk. 16:26

Het Griekse woord achter ‘gaan’ is diabenai (Strong 1224). Het komt nog twee keer voor in het Nieuwe Testament, en beide keren spreekt het van een oversteek over water (Hand. 16:9 | Heb. 11:29). Het woord achter ‘komen’ is diaperosin (Strong 1276). Het komt nog vijf keer voor in de bijbel en ook dat woord spreekt altijd van komen over water (Mat. 9:1 | Mat. 14:34 | Mar. 5:21 | Mar. 6:53 | Hand. 21:1). Dit stemt natuurlijk overeen met de Joodse (en heidense) overleveringen dat er in het dodenrijk een afscheiding met water is (Henoch 22:8, link). Jezus gebruikte immers met opzet de bestaande tradities in zijn gelijkenis. Maar verplaats je eens in de positie van de toehoorders. Zij begrepen al dat de vertelling onder de oppervlakte wees op Abraham en Eliëzer. Op de rijkdom en de beloften – dus ook op dé belofte van het Koninkrijk. Het Koninkrijk dat onlosmakelijk met de Jordaan was verbonden. En dan gebruikt Jezus woorden die te maken hebben met een oversteek.

Zouden de luisteraars Jezus verstaan hebben? Zouden ze begrepen hebben dat Hij sprak van de oversteek over de Jordaan, en daarmee van het komende Koninkrijk? Zoals bijna alle woorden van Jezus spraken van het komende Koninkrijk? Ik denk het wel – deels. Het ging niet over hemel of hel, maar over wel of niet deel hebben aan het Koninkrijk. Wel of niet het Beloofde Land binnengaan.

vurig

In het vorige artikel had ik al een mogelijke invulling gegeven van de vlammen waarin de rijke man zich bevindt. Het wijst waarschijnlijk op de verdrukking en benauwdheid waar het volk al bijna tweeduizend jaar in verkeert. In de geografische context die we nu bekijken zit nog een mogelijke heenwijzing. Want toen Abraham en Lot hun wegen scheidden, bleef Abraham wonen in het land ten westen van de Jordaan, het land Kanaän. Lot koos het groene land bij de Jordaanvallei (in de kloof), en ging wonen in de beruchte stad Sodom. Je weet wel, de stad die, samen met Gomorra, door vuur en zwavel werd verwoest. De stad waarvan Judas nog schreef dat het (getuigenis van het) vuur tot op die dag zichtbaar was (Judas 1:7).

[Waar Sodom en Gomorra precies gelegen hebben is onduidelijk. Maar gezien de symbolische betekenis van de Jordaan, zou het me niet verbazen als ontdekt wordt dat de steden aan de overkant van de rivier lagen. Buiten het land van de belofte.]

Hoe dan ook, het vuur wijst in ieder geval niet op de mythische hel in de onderwereld, maar op oordeel en gericht in deze wereld.

dorst

Ik had al opgemerkt dat er wat aan de hand was met de dorst van de rijke. Hij had dorst in het dodenrijk, dus terwijl het volk in hades was, ten onder gegaan in de volkerenwereld. Het water wees op de woorden van God, bij monde van de Messias Jezus. In het spoor dat we nu bezien, dat de rijke figuur staat voor het volk, is dat heel goed te begrijpen. Ik kan het niet mooier zeggen dan de apostel Paulus:

Wat dan? Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard, gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. – Rom. 11:7,8

Het volk verwierp de Messias. Slechts een enkeling werd behouden en de rest zou niet (kunnen) horen. De meeste mensen zouden niet luisteren naar de woorden van hun Verlosser. Ze zouden niet drinken al smachtten ze naar water. Ze hadden dorst.

pijn

Ook over het woord voor pijnigen was nog het een en ander te zeggen, schreef ik de vorige keer. Het Griekse woord achter ‘pijnigen’ is basanos. Dit woord houdt verband met de wijze waarop vroeger werd getoetst of een edelmetaal zuiver was. Door het langs een toetssteen te wrijven werd de kwaliteit van het metaal bepaald. Een hevige maar begrensde beproeving die bepaalt wat je waard bent, zeg maar. Beslist geen vurige foltering zonder einde. Dat het niet kan wijzen op de kwelling van het hete hellevuur blijkt ook uit Mar. 6:48, waar het woord toegepast wordt op de discipelen, en uit Mat. 14:24, waar een levenloze boot beproefd wordt.

Dus toegepast op de rijke man, het volk Israël, kunnen we zeggen dat deze periode voor het aanbreken van het Koninkrijk niet zomaar een pijniging is, maar een beproeving. Een nationale loutering. Waartoe? Nood leert bidden, luidt de volkswijsheid. Het Joodse volk heeft zich geoefend in het systematisch ontwijken van de godsnaam. De naam waarvan ze weten dat hij redding brengt (Joel 2:32). De verdrukking en benauwdheid die geweest is was onvoorstelbaar hevig, maar we weten uit de bijbel dat het nog erger zal worden. Zo erg dat het volk niet anders meer kan dan de naam aanroepen. De naam van hun Heiland, hun Redder. In hun nood zullen ze bidden. En Hij zal antwoorden.

samenspel

We hebben nu de hele gelijkenis behandeld, behalve de laatste vijf verzen. En juist die laatste woorden dringen mijns inziens tot nog een derde visie. Tot dusver heb ik de twee verschillende visies apart behandeld omwille van het onderscheid, maar ergens zijn ze beide waar. Juist de samenstelling dekt de hele lading. Ik zal je laten zien waarom. Maar laat ik eerst de bewuste verzen nog eens weergeven.

Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broeders. Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat ook zij niet in deze plaats der pijniging komen. Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten, naar hen moeten zij luisteren. Doch hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand van de doden tot hen komt, zullen zij zich bekeren. Doch hij zeide tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen. – Luk. 16:27-31

De ernstige waarschuwing, de iemand-uit-de-doden en het niet laten gezeggen hebben nog geen betekenis gekregen. En de vijf broers wezen dan wel naar Juda, maar wie zijn de heren zelf? Als Juda voor heel het volk figureert, waarom tekent Jezus hem dan bezorgd over zijn broers? Wordt met de rijke dan toch niet het hele volk bedoeld? Wijst hij toch voornamelijk naar de vrome voormannen? Toen de rijke stierf leek er nog hoop voor zijn familie. Hij was gedoemd (vergelijk Mat. 3:7 | Mat. 23:33), maar er waren nog mensen in het huis van zijn vader. Iemand moest hen waarschuwen, iemand-uit-de-doden.

waar-schuw

Die iemand-uit-de-doden is Lazarus. Hij zou levend moeten worden, vond de rijke. Of anders gezegd: hij zou tot geloof moeten komen en de overigen van het volk moeten waarschuwen. Wel, wanneer zijn de heidenen levend geworden en hebben zij tot het Joodse volk getuigd, terwijl er nog mensen in het huis van de vader waren? Lees het boek Handelingen. Dat staat vol van ernstige waarschuwingen aan het adres van het volk. Ook door heidenen die tot geloof waren gekomen. Maar alle aansporingen ten spijt, wat was de reactie van de meerderheid van de natie? Precies wat Jezus in de gelijkenis al liet doorschemeren. Ze lieten zich niet gezeggen door iemand-uit-de-doden. Ook opgestane (lees: bekeerde) heidenen brachten hen niet tot inkeer. Zij schuwden de waarheid. Zij zouden hun rijke broer volgen in hades. Heel het volk zou uiteindelijk ten onder gaan.

rust. punt.

Zo, hier heb je het. Dit is alles wat ik begrijp omtrent de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Het gaat niet om hemel en hel in het leven na de dood, maar om binnen en buiten in het leven na de droogte, zeg maar. Wel of niet welkom in het land over de Jordaan, aan het einde van de woestijnreis. Zoals eens onder leiding van Jozua slechts een klein deel van het uitgeroepen volk mocht binnengaan, zo zal het weer zijn bij het aanbreken van het Koninkrijk. Velen van het uitverkoren volk zullen worden geweerd. Buitengeworpen, zoals eens de knecht Eliëzer. De heidenen, lange tijd niet inbegrepen in de beloften aan Abraham, zullen dan wel mogen meedoen. Zij mogen aanliggen bij Abraham, en delen in de rijkdommen van de belofte.

Maar zelfs aan het einde van de rit zijn er losse eindjes. Niet alles past perfect. Want als de dorst van de rijke wijst op de huidige hardhorendheid van de natie, hoe wijst dan de boezem van Abraham op het komende Koninkrijk? Misschien wijst het op de huidige rijkdom van de belofte van het Koninkrijk, zoals de belofte tot de rijkdom van Israël werd gerekend (Rom. 9:4,5). Zie bijvoorbeeld Gal. 3:7 waar zij die geloven nu al kinderen van Abraham worden genoemd. En geloof, zo weten we, is vertrouwen op de woorden van God, waarvan veel nog voor ons ligt – beloofd maar nog niet verkregen (Heb. 11).

Hoe dan ook, de gelijkenis is buitengewoon betekenisvol. Een wijds panorama dringt zich aan je op, wanneer je de woorden laat wijzen naar het volk. De andere gelijkenissen en voorzeggingen resoneren in akkoord in een overweldigend vergezicht. Een doorkijk in het Grote Plan, de geschiedenis in wording.

Het zou je kunnen beangstigen, de dingen die nog komen. Maar bekijk het eens van deze kant: we liggen nog op koers. Duizenden jaren tevoren schilderde God op diverse doeken de horizon van straks. Hij trok de contouren, Hij kleurde de karakters en Hij omlijstte het geheel. Dus Hij staat aan het roer en stuurt ons door de nacht. Dat geeft rust, nietwaar? Met dat besef kun je op de achtersteven slapen, midden in de storm (Mar. 4:38).

<< vorige

  1. Thamara / okt 1 2012

    Wauw, wat een blog Goswin! Het heeft me een hele andere kijk op deze gelijkenis gegeven. Want dat het niet met hemel en hel te maken heeft wist ik al wel…maar hoe leg je dat nou eens uit?? Bedankt voor de heldere kijk!
    Groetjes!

reageer