Skip to content

RE:post 7 – veel:al

Dit is het zevende deel in de RE:post serie. Klik hier voor eerste aflevering over de vrije wil.

Veelal gaan de gesprekken over mijn visie op de bijbel over het woord ‘allen’ in de bijbel. Want er staat wel ‘allen’, maar dat kan natuurlijk niet ‘iedereen’ betekenen, vindt men. Want soms staat er namelijk ook ‘velen’. Dus ‘alle mensen’ betekent gewoon ‘vele mensen’. Of “alle soorten van mensen”, zoals de Nieuwe Wereldvertaling van de Jehovah Getuigen 1 Tim. 4:10 heeft weergegeven. God als redder-verzamelaar, zeg maar.

Het gaat er natuurlijk niet om hoe de vertalingen de teksten weergeven, maar om hoe het er in het origineel staat. Dus vragen omtrent deze dingen beantwoord ik ook steevast met te wijzen op de grondtekst. Niet omdat ik expert ben op dat gebied, maar omdat de betekenis van de woorden daar gezocht moet worden. Er zijn tegenwoordig genoeg hulpmiddelen beschikbaar om een leek als ik ook achter de vertalingen naar de oorspronkelijke woorden te laten kijken. En dat werkt vaak heel verhelderend.

Hieronder geef ik enkele van mijn antwoorden op de commentaren over ‘allen’. Het is soms wat technisch en precies, maar ik hoop dat je er desondanks je voordeel mee kunt doen. De bijbel is heel precies, geloof ik. Daar mogen we nou juist op bouwen. En al zal ik vast veel nuances en details over het hoofd zien, ik hoop dat je merkt dat er ook veel details wel genoemd worden die vaak niet worden meegewogen.

Jezus’ offer was voldoende voor de verzoening van alle zonde van heel de wereld (bijv. Joh. 1:29). Vergelijk 1 Tim. 2:6 “Jezus heeft Zich gegeven tot een losprijs voor (huper) allen = zich uitstrekkend naar, als een aanbod voor allen – met Matt. 20:28 Jezus is gekomen om “zijn leven te geven als losprijs voor (anti) velen” = in de plaats van. Dus: aangeboden aan allen, maar daadwerkelijk toegepast op een beperkte groep. Dit is trouwens precies wat in Matt. 22:14 “velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” bedoeld wordt.

De ‘velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren’ geldt specifiek voor Israël. Immers, zij als gehele natie waren uit alle volkeren geroepen, maar slechts enkelen zouden zich (in die tijd) bekeren. De nationale bekering zou nog op zich laten wachten – het was nog niet de tijd. En ook straks als het Millennium aanbreekt zullen velen van het volk buitengeworpen worden.

In de bediening van Paulus geldt een andere formule: “en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen…” (Rom. 8:30), waarbij vermeld moet worden dat de verleden tijd in de grondtekst een aorist is, een tijdloos feit. Dus dit staat er eigenlijk: de mensen die voorbestemd zijn, worden geroepen. Dit is anders dan in Mattheüs, en zonder vermindering. Sommige mensen worden misschien eerder in hun leven geroepen dan andere, maar zij die daartoe voorbestemd zijn worden geroepen.

Voor de bepaling van de hoeveelheid mensen waar het om gaat, kunnen we beter naar Romeinen 5 kijken. Hieronder meer daarover. Om zomaar van 1 Tim. naar Mattheüs te springen lijkt me riskant: de passages zijn niet precies parallel, en de geadresseerde doelgroep ook niet.

In Rom. 3:23 staat dat allen (in alle tijden en plaatsen) gezondigd hebben, maar niet dat allen gerechtvaardigd worden: alleen zij die geloven in Christus (vs. 22, 26-28, 30). Het ‘allen’ geeft aan, dat God geen onderscheid maakt tussen bijv. Joden en heidenen (zie vs. 22).

Opnieuw, om de aantallen helder te krijgen kunnen we beter doorbladeren naar Romeinen 5. Maar daarnaast, Gods gerechtigheid is niet gebaseerd op het geloof in Jezus Christus maar op het geloof van Jezus Christus (zie de Statenvertaling). Gods gerechtigheid begint bij het geloof van Jezus Christus en eindigt in ons geloof (“uit geloof, tot geloof”).

Jezus was alleen bij zijn kruisdood. Zelfs zijn discipelen hadden Hem verlaten. Hij geloofde God, toen iedereen het geloof had laten varen. Zo blijft des te krachtiger staan dat het door Eén mens is dat allen gerechtvaardigd zullen worden. Het is Zijn werk, Zijn geloof, Zijn leven, Zijn dood en Zijn opstanding die de koers gekeerd hebben voor de menselijke geschiedenis. Dát mogen we geloven.

Vgl. Rom. 5:18 (voor alle mensen: eis = tot: het is voor iedereen binnen handbereik, mogelijk – tweemaal heel de mensheid) met vs. 19 (zeer velen: waar het niet om het aanbod gaat, maar om het daadwerkelijk aannemen van de genade gaat – 2 ‘families’ t.o. elkaar). Evenzo in Rom. 11:32.

Het Griekse eis wordt ook gebruikt voor het eerste deel van vers 18, over de veroordeling. Wil je zeggen dat die ook binnen handbereik is? Mogelijk? Nee, toch! De veroordeling is universeel (“niemand is rechtvaardig” – Rom. 3:10), niemand uitgesloten. Dus jouw interpretatie van eis gaat niet op. De veroordeling is voor allen, de rechtvaardiging ook. Niet mogelijk, maar werkelijk.

Het gaat niet om twee families tegenover elkaar, maar twee mensen: Adam en Christus. Onze inbreng is ‘out of the equasion’. De ene mens leidde alle mensen in veroordeling, de andere leidt alle mensen tot rechtvaardiging. We hebben de veroordeling niet aangenomen, maar wel gekregen. We hoeven de genade ook niet aan te nemen om haar te krijgen. Genade gaat uit van de Rechter, niet van de terechtgestelde!

Sommigen halen Rom. 5:12 aan om te tonen dat we wel degelijk zelf schuld hebben aan ons huidige hoedanigheid (de sterfelijkheid). Maar als we de tekst bezien in de Statenvertaling (die de grondtekst beter weergeeft) is het juist andersom:

Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben. (Rom. 5:12 SV)

De sterfelijke hoedanigheid is de bron van de zonde, niet andersom. Zo is ook Jezus’ overwinning op de dood de ultieme oplossing van het probleem. Voor alle stervelingen.

De ‘velen’ in vs. 19 die gerechtvaardigd zullen worden, zijn dezelfde ‘velen’ die zondaars zijn geworden. Wie hoort daar niet bij? Voor al deze vele zondaars geldt dat ze door de gehoorzaamheid van Christus rechtvaardig geacht zullen worden. Het gaat hier niet om het ‘aannemen van de genade’, maar om de ‘gehoorzaamheid van Eén’. En Zijn gehoorzaamheid was volkomen, tot de dood aan het kruis. Zo zal de rechtvaardiging ook volkomen zijn. Sterker nog, de genade zal de veroordeling overtreffen, zegt Rom. 5:15.

In 1 Kor. 15:22 staat dat allen zullen opstaan uit de dood. Maar dan wel zoals in Joh. 5:29 staat: het ene deel ten leven, het andere deel ten oordeel. Deze laatste groep staat op aan het eind van het vrederijk, bij het eindoordeel (Openb. 20:5, 11-15, dit is hetzelfde moment als in 1 Kor. 15:24!).

Nee, dit is niet het zelfde moment. Daarvoor zijn de verschillen te groot. In 1 Kor. 15 geeft Jezus het koningschap terug aan de Vader en onderwerpt Hij zich aan de Vader (vs. 28), terwijl Hij een hoofdstuk verder in Openbaring nog op de troon zit – samen met de Vader volgens Op. 22:1,3, maar op de troon niettemin. De getrouwen uit het volk heersen met Hem in Openbaring, terwijl in 1 Kor. 15 alle heerschappij ten einde is. In Openbaring is er van dood nog sprake (de tweede dood), terwijl in 1 Kor. 15:26 de dood vernietigd zal zijn.

Daarnaast is de opstanding uit Johannes een ander Grieks woord dan de levendmaking uit 1 Kor. 15. De woorden betekenen dan ook niet precies het zelfde. Paulus gebruikt beide termen in 1 Kor. 15 en aan de manier waarop hij ze gebruikt kun je zien wat ze betekenen. De opstanding (vs. 21) plaatst hij tegenover de dood (en daarna kun je dus voor de tweede keer sterven – zie Openbaring) maar de levendmaking (vs. 22) plaatst hij tegenover het sterven, de sterfelijkheid. Ja, en als de sterfelijkheid eens verdwijnt, dan kunnen we met Paulus genieten van de horizon:

En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? – 1 Kor. 15:54,55

Dat “alle dingen weer met God verzoend” zullen worden (Ef. 1:10; Kol. 1:20; Openb. 21:5 sluit niet vanzelfsprekend alle mensen in: zie Openb. 21:8). Dit geldt ook voor de uitdrukking dat God zal zijn “alles in allen” (zie ook Ef. 1:23; Kol. 3:11 en ook Rom. 11:36). In het eindscenario van Openbaring zijn hier wel degelijk schepselen voor eeuwig van uitgesloten (Openb.22:15: buiten; vgl. Openb.21:8; Matt.8:12; Jes.66:24…).

Openbaring is dan ook niet het ‘eindscenario’. “Het einde”, de telos, wordt pas door Paulus genoemd in 1 Kor. 15:24. Dat is de bestemming, het doeleinde. Ik geloof dat dit spreekt van de afsluiting van de aioon van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Openbaring spreekt in hoofdstuk 21 van het begin ervan.

De buitenste duisternis en Gehenna uit Mattheüs en Jesaja zijn gekoppeld aan Jeruzalem tijdens de 1000 jaar. Deze periode gaat vooraf aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, en kan er dus niet mee samenvallen.

Omdat jij “voor eeuwig” leest als “zonder einde”, moet je de betekenis van “allen” aanpassen aan de bewijslast die je aandraagt. Meer er is wel degelijk een einde, een doeleinde, zoals ik hierboven schreef. En ik heb je al meer teksten laten zien die spreken van het einde van de eeuwen. Ik geloof dan ook niet in de eindeloosheid van de eeuwigheid. Er zijn meerdere eeuwigheden aan et wijzen, en elk van deze heeft een begin en een einde. Ik hoef niet te sleutelen aan de betekenis van het woord “allen”. Het betekent volgens mij gewoon wat er staat: “allen”. Maar, zoals jij ook al aangeeft, dat zie je nog niet aan het einde van Openbaring…

Dat alle knie zal buigen heeft niets te maken met bekering of geloof maar met de rechterstoel (zie bijv. Psalm 18:45 en 81:16). Juist ook Openb. 15:4 staat in verband met Gods gerichten (Zijn oordelen over de aarde vlak voor Jezus’ wederkomst).

Gods gerichten vlak ik ook zeker niet uit. Zij hebben hun plaats in de bijbel, binnen het plan van God met de mensheid. Maar in essentie is de kwestie waar we met zoveel woorden steeds op uit komen deze: hoe lang duren die gerichten, of meer algemeen: hoe lang is ‘eeuwig’. Als eeuwig begrensd is, staan de teksten niet meer op spanning. We hoeven niet twee instanties van het woord ‘allen’ binnen de één en dezelfde zin twee verschillende dingen te laten betekenen, we kunnen de prachtige balans in Rom. 5:15,18 en 19 laten staan, en we kunnen Jezus volkomen zien slagen in zijn missie: alle verloren schaapjes vinden.

In de theologie heeft de constructie post gevat dat een overtreding tegen een onbegrensde God een onbegrensde straf verdient (Ouweneel noemt deze ook, onder andere). Zo is de straf toch in verhouding met de overtreding – want daarover wordt nog steeds menig gemoed geroerd. Mathematisch misschien bevredigend, maar niet in overeenstemming met de God die we in de bijbel leren kennen. Als er iets onbegrensd wordt weergegeven in de bijbel is het Gods liefde, niet Zijn strafmaat. Elke overtreding van het volk Israël leidde tot straf en herstel. Zelfs Sodom en Gomorra zullen eens worden hersteld (Ez. 16:55) – zondaren, in hun zonde gestorven! Zou het er in Gods endgame ineens anders aan toe gaan?

Jij beperkt de reikwijdte van Rom. 11:36 tot de dan levende mensen. Het “geheel Israël” dat gered zal worden is het Israël van straks. Sodom en haar dochters zullen in jouw optiek hersteld worden in de vorm van nieuwe bewoners. Maar dat betekent in feite dat de eerdere generaties alleen hebben gediend tot het in stand houden van het Joodse ras, tot er een generatie zou komen die in zijn geheel gered zou worden. Als compost op de moestuin, zeg maar. Wij zijn groter gaan geloven over deze dingen.

Dat “alle knie zich zal buigen” voor Christus, Fil. 2:10 (zie ook Openb. 5:13 en 15:4) betekent niet dat allen dan ook gerechtvaardigd zijn. Dat buigen kan vrijwillig of gedwongen (in de zin van erkennen dat Jezus Heer is).

Zo gaat het bij wereldse overwinningen vaak wel. We vechten door tot de tegenstander zwicht. De knieval die volgt is wordt gekenmerkt door woede en vernedering. Er is nog evenveel vijandschap, maar de openlijke strijd is gestaakt. Er zal een tijd komen waar het ongeveer zo zal gaan, als Jezus regeert met een ijzeren staf. De vrede in die tijd is een staakt-het-vuren maar geen einde aan het vijandschap. Kijk maar hoe makkelijk Satan weer volgelingen vindt om op te trekken tegen Jeruzalem zodra hij wordt losgelaten (Op. 20:7,8). Er was wel vrede, al die duizend jaar, maar geen verzoening. De vijandschap bleef bestaan.

Maar zou Hij, die van zijn volk geen uiterlijk eerbetoon maar hun liefde en hun hart wil, het uiteindelijk met de overige mensheid voor minder doen? In één van Paulus eigen taakomschrijvingen zegt hij:

En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen.  – 2 Kor. 5:18-20

Verzoening. De vijandschap en vervreemding voorbij (Kol. 1:20,21). Dat is heel wat anders dan de vrede van het Millennium, maar dat staat volgens mij uiteindelijk wel op het programma. En daar past toch maar één soort knieval bij?

<< vorige  volgende >>
reageer