Skip to content

RE:post 8 – eeuwig

Dit is het achtste deel in de RE:post serie. Klik hier voor eerste aflevering over de vrije wil.

In RE:post 4 liet ik al zien hoe de betekenis van één woord voor een spraakverwarring kan zorgen die mensen lijnrecht tegenover elkaar zet. En ook in de vorige aflevering kwam datzelfde woord ter sprake: eeuwig. Wat betekent dat woord nu werkelijk? De vraag “verstaat gij wat gij leest” (Hand. 8:30) blijkt nog net zo actueel als toen.

Ik wil natuurlijk niet beweren dat ik alles wat ik lees versta, maar ik meen wel vooruitgang te boeken. Eén van de zaken die me het meest heeft geholpen is het kritisch kijken naar mijn voorkennis. De bijbel is ouder dan de meeste tradities, en heeft hoe dan ook meer recht van spreken dan de formulieren en gebruiken – hoe algemeen geaccepteerd ze ook zijn.

Dat diskwalificeert mijn schrijven al bij voorbaat in de optiek van hen die veel gewicht geven aan “de kerk der eeuwen”, of “wat we altijd hebben geleerd”. Maar ook voor hen zou het goed zijn de tradities waar mensen zo hechten is eens naast de bijbel te houden. Wat heb je te verliezen? Als de tradities blijken te kloppen worden ze alleen maar bevestigd. Zo niet,  dan ben je zonder toch beter af?

Je zult ontdekken dat er bijbelteksten voorbij komen die de tradities tegen spreken. Natuurlijk ook vele die de tradities lijken te dragen, maar je weet hoe dat werkt met onderzoek. De stelling “zwanen zijn wit” wordt ontkracht met de vondst van één enkele zwarte zwaan. En in geval van tegenspraak: wat doe je met die teksten? Ga je uitzonderingen formuleren? Eén woord verschillende dingen laten betekenen, afhankelijk van het thema van de tekst? Of ga je de betekenis van het hele woord herijken met de nieuwe inzichten, en proberen de bijbel te begrijpen in het licht van deze bredere betekenis. Ik pleit voor het laatste.

Hoe het ook zij, als je zoekt zul je vinden. En wat je vindt zal niet altijd passen bij wat je hebt geleerd. Als je conclusies verbind aan je bevindingen dan beweeg je je al gauw buiten de kaders van de kerk. Niet iedereen kan dat waarderen. Maar buiten het erf van de overgeleverde leer is veel ruimte! Ruimte voor overdenking, voor zoeken, vinden en hervinden.  Dat is geen voorrecht van geleerde heren, maar van elke volger van de Heer. Gelukkig maar! Want het zoeken zelf is minstens zo belangrijk als de vondst.

Hoe kan ik nu precies weten wat aioon en olam daadwerkelijk betekenen. Is het echt voor een bepaalde periode of is het voor eeuwig?

Je enige ijkpunt is de bijbel, al het andere is mensenwerk. Soms waardevol mensenwerk, leerzaam en goed onderbouwd, maar mensenwerk niettemin. Dat moet je toetsen, hoe oud en gevestigd het ook moge zijn. Dat is niet makkelijk! In dit geval moet je nagaan hoe de woorden worden gebruikt, en welke betekenis het beste past bij alle teksten waar ze voorkomen.

De woorden zijn breed qua betekenis, soms veel breder dan één vertaalwoord kan weergeven. Maar dit is wat ik uit de bijbel opmaak: de woorden aioon en olam wijzen naar een periode. Deze kan lang duren, kort duren, maar er is een van en tot. Altijd. Als, zoals de theologie beweert, de woorden ook tijd zonder van en tot of zelfs een tijdloosheid kunnen betekenen, waaraan kan ik dan zien welke betekenis bedoeld wordt? Moet de theoloog dat zeggen? Mogen wij meebeslissen? Want het wordt een kwestie van beslissen. Vertaling wordt een zaak van stemmen tellen, draagvlak zoeken, polderen. Gods woord wordt mensenwerk – dat kan nooit goed gaan.

Dus ik voel meer voor de concordante benadering: één woord, één betekenis. Natuurlijk kan ons Nederlandse vocabulaire wel eens tekort schieten, zodat slechts een deel van de betekenis kan worden gevat in een woord. Maar dan kun je de rest van de betekenis wel kwijt in een ander woord. Zo doet de Concordant Version het ook. Sommige Griekse woorden krijgen wel twee of drie vertaalwoorden. Maar als je zorgt dat je die dan niet weer ergens anders voor gebruikt is dat niet zo erg. Dan heb je toch de breedte van de woorden te pakken – ook al kun je aan de vertaling niet meer zien dat er één grondwoord onder zit.

De gebruikelijke visie is dat eeuwigheid een nuance is van ‘lange tijd’. Maar ik ben van mening dat eeuwigheid en tijd juist niets met elkaar te maken hebben. Tijd spreekt van nu en straks, eerst en later. De essentie van tijd is afbakening, indeling, grenzen. Het hele concept van eeuwigheid als oneindige tijdloosheid is een Grieks-filosofisch idee.

Maar ja, ik ben geen Grieks expert. Ik ga af op het bijbelse bewijs rondom aion en olam en ik gebruik mijn verstand bij het lezen. Daarbij hanteer ik een soort gouden regel: de simpelste oplossing is meestal de beste. Als je de aioon en olam consequent begrijpt als begrensde tijd houd je misschien een handvol teksten over waar je even goed over moet nadenken. Als je het omdraait en de woorden consequent begrijpt als tijdloos en oneindig hou je misschien nog maar een handvol zinnige teksten over. Dat zegt mij voldoende…

Jezus is een oorzaak van eeuwig heil (Hebr. 5:9); Jezus verwierf een eeuwige verlossing (Hebr. 9:12) en een eeuwige erfenis (Hebr. 9:15); wij krijgen een eeuwig huis, in de hemelen (2 Kor. 5:1; vgl. 1 Kor. 15:53); wij krijgen het heil in Christus met eeuwige (Gods!) heerlijkheid (2 Tim. 2:10; vgl. 1 Petr. 5:10). Wat doe je met deze termen, als eeuwig niet altijd zou betekenen?

Termen als het eeuwig heil, de eeuwige erfenis en eeuwige heerlijkheid zijn nog steeds goed te begrijpen, hoor. Het gaat allemaal om gebeurtenissen en beloften binnen het raamwerk van de eeuwen. Verlossing, heil en heerlijkheid krijgen juist betekenis in de aanwezigheid van gebondenheid, onheil en sterfelijkheid – het zijn contrasttermen als het ware. En deze tegenovers duren niet eeuwig: van gebondenheid en onheil en sterfelijkheid zal aan het eind van de eeuwen geen sprake meer zijn. Dan is het toch niet ondenkbaar dat de termen verlossing, heil en heerlijkheid ook slechts op de eeuwen betrekking hebben?

Aionios geeft aan dat iets of iemand ‘zonder begin of zonder einde in de tijd’ is, bijv. eeuwige God (Rom. 16:26) en de eeuwige Geest (Hebr. 9:14) Meestal is de blik op de toekomst gericht, waar het bestaan van een andere orde zal zijn en het einde, vergankelijke verdwenen. Zo is de onzichtbare heerlijkheid in Christus in tegenstelling tot de zichtbare aardse werkelijkheid eeuwig (2 Kor. 4:18).

Het bijvoeglijk naamwoord kan toch nooit groter zijn dan het zelfstandig naamwoord waar het van is afgeleid? Zie bijvoorbeeld de paren jaar-jarig, schemer-schemerig, hoek-hoekig, enzovoorts. Ze hebben elkaar nodig, en de betekenis van de termen wordt bepaald door het eerste woord, het zelfstandig naamwoord. Is dat bij eeuwig ineens anders? Aionios is het bijvoeglijk naamwoord van aioon. Het ontleent toch ook zijn betekenis aan het woord waarnaar het wijst: aioon. En dat is een tijdperk.

Je ziet dat zelfs in een van de passages die jij citeert. In Rom. 16:25, één vers voor de “eeuwige God” staat letterlijk: “aionische tijden”. Bij de vertaling van dat vers wordt al meteen afgeweken van de definitie die jij geeft. En dat moet ook wel, want anders zouden de verborgenheid die in “tijden zonder begin of einde” [jouw definitie] verzwegen zijn, meteen in vers 26 toch worden geopenbaard. Dat is een tegenspraak, en de vertalers begrepen dat. Kortom, de door jou aangedragen definitie kan niet kloppen.

Jij meent dat een woord twee verschillende betekenissen kan hebben. Zelfs twee tegengestelde. Volgens mij kan dat niet. De betekenis van een woord – althans de grondbetekenis – is enkelvoudig. Het gebruik van een woord kan variëren en de betekenis niet altijd even goed tot uiting doen komen. De boodschap kan zelfs veranderen wanneer het woord op een bepaalde manier gebruikt wordt. Maar de betekenis van het woord blijft staan.

Neem nou het woord ‘hemel’ dat je aandroeg. Het woord wordt gebruikt in contexten van diverse strekking, maar de betekenis van ‘hemel’ (ouranos) blijft ‘dat wat boven is’. De elementen van het Griekse woord zijn zien-omhoog. Daarmee kun je wijzen op de lucht, de atmosfeer, of zelfs het universum. Het wordt zelfs voor Gods woonplaats gebruikt en voor alles wat van Hem komt, maar zie je dat de betekenis blijft staan? Want ook God is boven – niet van de Aarde, maar van erbuiten.

Ik weet ook wel dat aioon en olam de betekenis van ‘eeuw’ of ‘periode van onbestemde duur’ niet in elke situatie even goed weergeeft. De woorden worden zelfs wel gebruikt in situaties waar niet direct van tijd gesproken lijkt te worden. Maar dit doet toch niets af aan de betekenis van het woord? In mijn optiek kan één woord gewoon niet tegelijkertijd eeuw, eeuwig, wereld en loop-der-dingen betekenen, zoals de bijbelvertalingen het weergeven. Eén van deze vertalingen geeft de grondbetekenis het beste weer, en ik pleit voor ‘eeuw’ (als een periode, niet als een honderdtal jaren).

De Bijbel leert dat ongelovig gestorvenen een “aioon straf” zullen ondergaan, een eeuwige straf. Deze wordt ons zonder meer als eindeloos voorgesteld. Je vindt de straf al in Jes. 66:25 en Jer. 17:4 (al is de gedachte van eeuwig leven en eeuwige straf in het OT niet zo duidelijk beschreven als in het NT). De eeuwige straf is in tegenstelling met het eeuwig leven: Mat. 25:46.

Waarom is het hier eeuwig als in oneindig (het bijvoeglijk naamwoord kan immers niet groter zijn dan het zelfstandig naamwoord waar het van is afgeleid)? In de tekst in Jesaja wordt het woord olam niet eens genoemd. De tekst in Jeremia gaat over Juda (vs. 1), en bovendien: het onblusbare vuur kan niet oneindig branden tegen Juda, want “niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig de toorn behouden” (Ps. 103:9). Het kan niet geblust worden, maar daarmee is niet gezegd dat het nooit zal stoppen te branden! Andere plaatsen waar van een onuitblusbaar vuur gesproken wordt (zie bijv. Jer. 7:20 | Jer. 17:27 | Jer. 21:10-12 | Ez. 20:47-48 | Amos 5:6) branden nu toch ook niet meer?

In Jesaja of Jeremia wordt niet over de hel gesproken. Het is eerder andersom: de hel (Gehenna) die we in het NT vinden verwijst naar dit lijkendal uit Jes. 66:25. De hel is dus een lijkendal. Geen schimmenrijk, maar een brandstapel met smeulende karkassen, hier op aarde, net buiten Jeruzalem. De mensen die daar terecht komen zullen niet leven in de koninkrijkseeuw: het eeuwige leven is hun ontnomen.

Omdat wij meestal het eeuwige leven gelijkstellen aan de onsterfelijkheid die door Jezus’ overwinning op de dood is geopenbaard, redeneren we dat de eeuwige straf ook wel oneindig moet zijn. Maar als het wijst op de eeuwen die nog komen, dan zal dat voor de straf ook zo zijn. Een straf gedurende de eeuwen die nog komen. Maar als we de termen eeuwig leven en onsterfelijkheid gewoon naast elkaar laten staan hebben we geen probleem. Onsterfelijkheid wijst op het ‘hoe’ van het leven-van-straks voor hen die nu geloven, eeuwig op het ‘wanneer’.

En dan nog wat: in Mattheüs 25 gaat het om de natiën, niet om individuele mensen. In vers 32 (Statenvertaling) zie je dat de volkeren gescheiden worden zoals men schapen en bokken scheidt. En dan ook slechts de volkeren die dan leven, want er gaat geen opstanding aan vooraf. Deze passage kan dus niet gaan over het oordeel over alle mensen van alle tijden!

In vers 31 wordt het decor beschreven: het is de tijd van Jezus’ terugkomst en zijn plaatsnemen op de troon. Deze gebeurtenis wordt al in Joel 4:1,2 (3:1,2 in de SV en NBG) geprofeteerd, en daar wordt zelfs een locatie genoemd voor deze volksvergadering: het dal van Josafat. Dat in deze passage niet zomaar de hellestraf gelezen mag worden is toch duidelijk: het criterium voor eeuwig leven of eeuwige straf is de omgang met ‘de minste van mijn broeders’. Geloof is niet aan de orde, maar daden – heel specifieke daden. Je moet goed lezen wat er staat. Niks weglaten, maar ook niks toevoegen!

Tenslotte gaat het hier niet om straf in de zin die wij er vaak aan verlenen. Het woord dat hier is gebruikt is kolasis. Geen pijniging, want dat is het Griekse woord basanos. Ook geen straf, want dat is timeria: straf om de straffer te bevredigen. Kolasis is correctie om de gestrafte te verbeteren. Plato gebruikt het woord ook op die manier (Niet dat ik buiten de bijbel wil zoeken naar woorddefinities, maar wat ik beweer was kennelijk ook in de heidenwereld algemeen bekend):

“For the natural or accidental evils of others no one gets angry, or admonishes, or teaches, or punishes (kolazei) them, but we pity those afflicted with such misfortune for if, O Socrates, if you will consider what is the design of punishing (kolazein) the wicked, this of itself will show you that men think virtue something that may be acquired; for no one punishes (kolazei) the wicked, looking to the past only simply for the wrong he has done— that is, no one does this thing who does not act like a wild beast; desiring only revenge, without thought. Hence, he who seeks to punish (kolazein) with reason does not punish for the sake of the past wrong deed, but for the sake of the future, that neither the man himself who is punished may do wrong again, nor any other who has seen him chastised. And he who entertains this thought must believe that virtue may be taught, and he punishes (kolazei) for the purpose of deterring from wickedness?”
[Protag. Sec. 38, vol. 1, p. 252. – markeringen door mij]

In Openbaring staat regelmatig de uitdrukking “in alle eeuwigheden” (Op. 1:6,18 | Op. 4:9,10 | Op. 5:13,14 | Op. 7:12 | Op. 10:6 | Op. 11:15 | Op. 14:11 | Op. 15:7 | Op. 19:3 | Op. 20:10 | Op. 22:5). Hier staat letterlijk: “tot in de aionen van de aionen”: door alle aionen heen tot en met de laatste, eindeloze/tijdloze. Hiermee wordt bedoeld dat het gaat om alle tijden tot en met de laatste tijdloze situatie.

Hier meng je twee definities van aioon: begrensd en oneindig. Waarom? Waar in de bijbel vind je de informatie dat de voorlaatste aioon een begrensde, tijdgebonden aioon, en de laatste ineens niet meer? Zoals ik het begrijp worden de begrensde perioden aionen genoemd, en de (mogelijk tijdloze) situatie erna geduid wordt als “(na) de voleinding der aionen”. Dus aioon voor periode, voleinding voor daarna.

Dat aioon niet altijd oneindig heeft betekend blijkt bijvoorbeeld uit het citaat van keizer Justinianus die voor de vaststelling van de duur van de straf niet kon volstaan met alleen het woord aioon. Hij moest er een term aan toevoegen om de de oneindigheid erin te leggen:

The Emperor Justinian (A. D. 540), in calling the celebrated local council which assembled in 544, addressed his edict to Mennos, Patriarch of Constantinople, and elaborately argued against the doctrines he had determined should be condemned. He does not say, in defining the Catholic doctrine at that time “We believe in aiónion punishment,” for that was just what the Universalist, Origen himself taught. Nor does he say, “The word aiónion has been misunderstood, it denotes endless duration,” as he would have said had there been such a disagreement. But, writing in Greek with all the words of that copious speech from which to choose, he says, “The holy church of Christ teaches an endless aiónios (ATELEUTETOS aiónios) life to the righteous, and endless (ateleutetos) punishment to the wicked.” Aiónios was not enough in his judgement to denote endless duration, and he employed ateleutetos. This demonstrates that even as late as A. D. 540 aiónios meant limited duration, and required an added word to impart to it the force of endless duration. [bron: tentmaker.org]

<< vorige  volgende >>
reageer