Skip to content

reflectie

Even een persoonlijke noot. Ik heb nu enkele korte artikeltjes geschreven over hoe ik de bijbel en de God van de bijbel ben gaan zien. Het is verhelderend om op te schrijven wat je meent te begrijpen, omdat het je dwingt je gedachten te structureren. Ik moet constateren dat ik al schrijvende alleen maar meer besef dat ik nog maar zo weinig begrijp. Elk antwoord roept nieuwe vragen op en ik acht mijn capaciteiten niet zo hoog dat ik verwacht op alle vragen een antwoord zal vinden. Maar ik heb wel het idee dat ik vooruit ga, dat is, dat ik meer begrijp dan voorheen. Ik weet het, dat klinkt tegenstrijdig met wat ik net heb gezegd. Vergelijk het met een tocht door een donker gebouw. Ik schuifel in het duister en houd mijn lampje voor me. Al zie ik steeds meer in het schijnsel van mijn lantaarn, ik begin ook steeds duidelijker de omvang van het vertrek te ontwaren. De ruimte is immens! Ik ben blij met wat mijn lampje mij laat zien maar ik ben nog meer onder de indruk van de omvang van het geheel.

Ik denk regelmatig terug aan hoe ik de dingen vroeger zag. Ik geloofde dat ik zeker was van mijn hemelse bestemming, omdat ik had mijn leven aan Jezus had gegeven. Wie niet geloofde wachtte een andere, akelige, bestemming. Kortom, mijn geloof bepaalde mijn toekomst en in zekere zin hing het eeuwige eindoordeel van een ander ook nog van mij af. Immers, als ik het ze niet zou verkondigen, hoe zouden ze het dan horen? God had mij misschien juist daarom bij mijn familie, collega’s en vrienden geplaatst.

Stel nu dat het zo zou zijn. Zij die kiezen voor Jezus komen in de hemel, zij die niet kiezen, of kiezen tegen, in de hel. Hoe zouden we dan, daar aangekomen, terugzien op ons leven? Zouden we ons bewust zijn van de verlorenen? Zouden we ze zelfs kunnen zien, zoals de gelijkenis uit Lukas 16:20-31 suggereert? Wat voor gedachten zou dat bij ons opwekken? Zou niet onvermijdelijk een moment komen dat we dachten: “poeh, gelukkig heb ik goed gekozen”? Of wanneer we mensen zouden ontmoeten die we ‘bij Jezus hebben gebracht’, zouden ze dan ons de hand schudden en zeggen: “he, nog bedankt dat je tijd voor me had”?  Het zijn maar gedachten, maar het feit blijft dat ik meende dat de eeuwige scheiding bepaald wordt door onze keuze, onze daad. Ik geloof niet meer dat we, eenmaal in de hemel aangekomen, iets zullen hebben om op te roemen dan Jezus Christus. Als onze theologie ons doet zien op onszelf hebben we het nog niet goed begrepen, volgens mij.

Constructies die zeggen dat we in de hemel een nieuw geheugen zullen krijgen, zodat we niet meer zullen denken aan de verlorenen, of dat we niet meer terug zullen kijken en alleen maar op Hem zullen zien, zijn onzinnig. Het ene suggereert triomf door creatieve boekhouding, het andere maakt de hele menselijke geschiedenis onnut. Geen immense tentoonspreiding van Gods genade, maar een veredeld examen – zodra je geslaagd bent doe je er niets meer mee. Nee, God is aan het vertellen op Goddelijke schaal. Als straks het boek uit is, zullen allen het verstaan en vol ontzag God erkennen. Dat ben ik gaan geloven.

Ik zag deze kerstvakantie de animatiefilm ‘Polar Express’ en daarin werd een prachtige illustratie gegeven van hoe er vaak tegen geloof aan gekeken wordt. De hoofdrolspeler had een belletje van de arreslee van Santa Claus gekregen die je alleen kon horen wanneer je in Santa geloofde. Het belletje bleef stil voor ongelovigen. In dit voorbeeld is het geloof de actor, de beslissende factor die het belletje doet rinkelen voor jou. Het geloof is in de bijbel juist reactief. God beloofde Abraham een zoon – Abraham geloofde God. Zou God hem geen zoon gegeven hebben als Abraham het niet geloofde? Hing Isaäks geboorte af van het geloof van Abraham? Op dezelfde manier geldt dit voor ons vandaag, met dit verschil dat Abraham vooruit moest zien naar wat God nog zou doen. In zekere zin zien wij terug naar wat God heeft gedaan – al ligt de uitwerking van deze daad nog grotendeels voor ons. God gaf Jezus tot een zoenoffer voor alle mensen (Joh. 1:29, Joh. 12:32). Jezus’ werk is reeds gedaan – ons geloof verandert daar niets aan. Hij heeft niet mijn zonden gedragen als ik geloof! Hij heeft ze gedragen. PUNT. Dat mag ik geloven.

Er zijn wel privileges weggelegd voor de mensen die in dit leven (gegeven wordt te) geloven. Of beter: er is werk te doen. Israël was niet gekozen omdat God de anderen wilde verwerpen. Hij koos Israël om de anderen te bereiken (Gen. 12:3, Gen. 18:18, Hand. 3:25, Gal. 3:8). Op dezelfde manier werft God zich een Gemeente, niet om hen te liefkozen en de rest te verstoten. Nee, juist om de overige schepselen Gods overweldigende rijkdom van Zijn genade en Zijn veelkleurige wijsheid te verkondigen (Ef. 2:7, Ef. 3:10).

Zie je dat het verhaal veel groter is, dat bij het vage schijnsel van ons begrip de contouren van een alsmaar groter lijkend gewelf zich aftekenen? Ik besef best dat ik nog lang niet alles heb overpeinsd, dat mijn bevindingen wellicht ongenuanceerd en ongebalanceerd zijn. Ik verwacht dan ook dat ik in de komende jaren nog veel zal leren en mijn visies nog dikwijls zal moeten aanpassen. Maar terug naar mijn vorige denkwijze kan ik niet meer. Hoe kan ik een welslagende God, een alleskunner die waarlijk van alle mensen houdt en zal slagen in al zijn ondernemingen, verruilen voor de God die ik meende te kennen? De God die de verantwoordelijkheid voor mijn eeuwige bestemming liet afhangen van mijzelf, die niet in staat zou zijn mijn lot te keren mocht ik eens fout sturen. De God die voor altijd ongelukkig zal zijn in de wetenschap dat miljarden mensen die hij innig liefheeft gefolterd worden in vuur of verlatenheid – er zijn verschillende versies van de hel in omloop – omdat Hij ze niet kon redden. Ik dacht te klein van God. Als ik mijn Godsbeeld zal moeten aanpassen – en ik verwacht dat ik dat nog vaak zal moeten doen – dan alleen opwaarts. Hij groter en ik kleiner. Kan ik ooit te groot van Hem denken? Zou ik, hoe allesomvattend ik Hem ook leer zien, Hem ooit kunnen overschatten?

Hoe denk je dat we straks voor God zullen staan? Zullen we beteuterd zeggen: “Sorry, maar ik dacht dat U machtiger was – ik meende dat U het zou klaarspelen toen U zei dat U de wereld kwam redden, maar de helft van mijn familie is hier niet”? Of zullen we, met ons gezicht op de grond uitroepen: “God vergeef me dat ik zo klein van U heb gedacht! U bent werkelijk onuitsprekelijk! U doet waarlijk meer dan wij bidden of beseffen!”

Let wel, ik zeg niet dat God alle mensen redt – dat zegt de Gods Woord (Rom. 5:18, Rom. 11:32, 1 Kor. 15:22-28, 1 Tim. 2:4-6, Kol. 1:20, 1 Tim. 4:10). Je kunt God volgens mij geen groter plezier doen dan Hem op zijn Woord geloven.

reageer