Skip to content

basiskennis: God is geen mens

“God is geen man…” (Num. 23:19)

“…want Hij is geen mens…” (1 Sam. 15:29)

Velen proberen God te doen lijken op henzelf. Ze weigeren Hem als God te verheerlijken en hun overleggingen lopen op niets uit – ze hebben “de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen” (Rom. 1:21-23). Jammergenoeg proberen ze zelfs schriftplaatsen te gebruiken om deze visie te ondersteunen.

De schriftplaatsen die ze misbruiken gebruiken een stijlfiguur dat bekend staat als anthropomorfisme*. Tenzij we deze belangrijke stijlfiguur herkennen, zullen we absurde en belachelijke beweringen doen – en houden we een “god” over die heel wat minder is dan de Ware God van de Schriften.

Bijvoorbeeld Genesis 3:9 (“‘Waar zijt gij?”) zou verkeerd kunnen worden gebruikt om te tonen dat God onwetend of blind is. Wist God waarlijk niet waar Adam was? Natuurlijk wel, het is gewoon een stijlfiguur. God raakte Adam nooit kwijt!

In Genesis 4:9-10 vraagt God aan Kaïn “Waar is uw broeder Abel?” en “Wat hebt gij gedaan?” Betekent dit dat God een bril nodig heeft? Wist God echt niet waar Abel was? Wist Hij niet wat Kaïn gedaan had? Zeer zeker wel – Hij wist precies wat had plaatsgevonden!

Genesis 8:1 vertelt ons dat “God gedacht Noach”. Dit zou verkeerd kunnen worden gebruikt om te onderwijzen dat God vergeetachtig is, net als Genesis 19:29 (“Toen … gedacht God Abraham”) en Genesis 30:22 (“Toen gedacht God Rachel”). Was God hen vergeten, en had Hij zich daarna, gelukkig, weer aan hen herinnerd? Wordt God vergeetachtig? Misschien is Hij seniel, of gewoon te druk bezig overal van op de hoogte te blijven? Absoluut niet: ook dit zijn allemaal voorbeelden van de stijlfiguur anthropomorfisme.

Genesis 22:12 (“want nu weet Ik”) zou verkeerd kunnen worden gebruikt om te beargumenteren dat God niet wist wat er in Abraham’s hart leefde totdat Abraham actie had ondernomen. Wist God niet wat er in Abraham’s hart leefde? Natuurlijk wel,

“…want de HERE doorzoekt alle harten en doorgrondt al wat de gedachten beramen” (1 Kron. 28:9)

“…de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan” (1 Sam. 16:7)

“Ja, de HERE der heerscharen … die nieren en hart doorziet” (Jer. 20:12)

“…Gij, Here, die aller harten kent…” (Hand. 1:24)

“en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.” (Hebr. 4:13)

Als iemand je probeert te vertellen dat God op de een of andere manier niet van tevoren wist wat in Abraham’s hart leefde, geloof er geen woord van. God wist al die tijd precies wat er in Abraham’s hart was. Abraham’s hart werd beproefd voor Abrahams bestwil; en God sprak tot hem in voor hem begrijpelijke termen. God bevestigde Abraham’s trouw.

In Exodus 4:2 vraagt God aan Mozes “Wat hebt gij daar in uw hand?” Wist God niet eens wat Mozes in zijn hand had? Kon Hij het niet goed ontwaren? Of, was het iets dat Hij nog niet eerder had gezien? Moest Mozes God leren wat een staf was? Moest Mozes zeggen: “O, dat is een tak die ik heb afgebroken van die boom daar die U heeft gemaakt”?

Zie je hoe we op een dwaalspoor kunnen raken wanneer we letterlijk nemen wat door God als een simpele stijlfiguur was bedoeld? Zie je wat er gebeurt als we het absolute voor het relatieve gezichtspunt aanzien? We komen uit op een “god” die geen “ogen om te zien” of de “kennis” heeft om een staf in Mozes’ hand te herkennen.

In het begin van de Schriften stelt God de absolute waarheid vast over Wie Hij is.

Hij is de “EL” (God) de “Onderwerper” (b.v. Genesis 4:9)

Hij is de “Almachtige God” (Genesis 17:1)

Hij is “volmaakt in kennis” (Job 37:16)

Dit zijn de absolute waarheden over God. Nu Hij duidelijk vastgesteld heeft Wie Hij absoluut is, is Hij ook vrij om Zich met mensen te verhouden – om tot hun niveau af te dalen in een relatieve manier – om Zichzelf op een menselijke manier te presenteren. Anthropomorfisme (of “anthropopatheia” zoals het ook wel wordt genoemd) is de stijlfiguur die in de Schriften wordt gebruikt waar zuiver menselijke eigenschappen aan God worden toegeschreven. E.W. Bullinger catalogiseerde in één van zijn meest monumentale werken, “Figures of Speech Used in the Bible”, meer dan 200 verschillende stijlfiguren in detail, waarvan sommige wel 30 of 40 varianten kennen. Anthropomorfisme is een van de belangrijke stijlfiguren die hij definieert. (Hij behandelt dit onderwerp ook in de Companion Bible en de Appendices ervan.)

A.E. Knoch schreef over anthropomorfisme het volgende:

“Als over God gesproken wordt alsof Hij menselijk zou zijn, of deel van zijn schepping, dan wordt dit gedaan middels anthropomorfisme, zodat Hij zich kan onthullen in termen binnen de reikwijdte van de menselijke gewaarwording” – Figures of Speech

God spreekt in het menselijke raamwerk van tijd, in menselijke termen, en met de menselijke perspectieven. Hij verhoudt Zich tot mensen.

Seth Tipton spreekt in enig detail over anthropomorfisme.

We moeten allereerst in ons achterhoofd houden dat God geen mens is. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar we moeten onszelf er voortdurend aan herinneren, zeker omdat God in de Schriften vaak over Zichzelf spreekt in menselijke termen.

Nu deze absolute waarheid vroeg in de Schriften is vastgesteld (absolute waarheid als het tegengestelde van relatieve waarheid), kan God Zich menselijke eigenschappen geven om mensen te helpen Hem te begrijpen. Dit is een stijlfiguur genaamd anthropomorfisme. Wanneer er van God gesproken wordt alsof Hij menselijk zou zijn […] wordt dit gedaan zodat Hij Zich kan openbaren in termen binnen de grenzen van de menselijke waarneming. […] Deze beschrijvingen zijn God neerdalend tot menselijk niveau (anthropomorfisme), de mens ten goede, zodat mensen iets over Hem zouden begrijpen. We raken makkelijk op een zijspoor wanneer we anthropomorfisme verwarren met zijn  absolute wezen. […] Verwar deze twee dingen niet!

Soms vermenselijkt God Zich zelfs tot onwetendheid. Denk eens aan Genesis 3:9, waar God aan Adam vraagt: “Waar ben je?”. Wist God echt niet waar Adam was?

Of denk aan Genesis 4:9-10 wanneer God aan Kaïn vraagt: “Waar Abel, je broer?” en “Wat heb je gedaan?”. Zouden we maar voor een ogenblik de gedachte koesteren dat de zondige Adam of de boosaardige Kaïn God zouden kunnen informeren over iets dat Hij nog niet wist? Nee. Dit is God die zich menselijk presenteert om Zichzelf te onthullen binnen de bakens van de waarneming van zijn schepselen. In dit geval, gebruikte God anthropomorfisme om zowel Adam als Kaïn tot de pijnlijke gewaarwording van hun overtredingen te brengen. Natuurlijk wist God waar Adam was. natuurlijk wist Hij waar Abel was, en wat er met hem was gebeurd. Anders zou Hij geen God zijn. 1 Johannes 3:20 zegt: “God weet alles”. Maar Hij stelde deze vragen in het belang van zijn schepselen…

Vergelijk Gods handelen met Adam en Kaïn met de ouder die het kind met de wangen onder de mix vraagt: “Heb je aan de beslagkom gezeten?”. Het is niet fout voor een ouder om onwetendheid te veinzen wanneer het om opvoeden gaat – zo ook met God en Zijn kinderen.

GOD VERANDERT NIET VAN GEDACHTEN

We lezen absolute waarheid in 1 Samuel 15:29:

“Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben.”

Het sleutelstuk in dit vers is: “Hij is geen mens.” Telkens wanneer God zich distantieert van de mensheid (en daarom niet geneigd is anthropomorfisme toe te passen), zien we een glimp van zijn absolute en ultieme natuur. Absoluut en uiteindelijk dus (los van Zijn openbaring binnen zintuiglijke sferen), verandert God niet van gedachten. Hiervan kun je zeker zijn. Laat deze waarheid je kalmeren en je vullen met vertrouwen in de soevereiniteit en wijsheid en de kennis van God.

Als onze God heen en weer getrokken kon worden door de grillen van mensen, wat voor een God zouden we hebben? Geen God! Als onze God fouten zou maken, of voorbarige dingen zou zeggen die Hij niet meende, of “Plan A” zou verlaten voor “Plan B”, of fouten zou toegeven voor de “wijze” tribunalen van de mensheid, hoe zouden we Hem kunnen vertrouwen? Niet! Kunnen christenen (prachtige, geestelijk, alwetende mensen die ze zijn) God ompraten om regen te geven, bijvoorbeeld, een minuut voordat Hij eigenlijk van plan was regen te geven? Nee […] wat een afschuwelijk universum zou het zijn als de duivelse christelijke doctrine van “gebed verandert dingen” waar zou zijn. Gebed en berouw veranderen God nooit, God zij dank. Waar gebed en berouw is dat wat zich naar de goddelijke wil conformeert – niet andersom.

GOD WENDT VERANDERING VOOR ALS ANTHROPOMORFISME

Nu zijn we in staat verzen als Jeremia 26:13 en Jona 3:10 te lezen, en Gods methoden met de mensheid begrijpen in het licht van zijn ultieme natuur.

Jeremia 26:13 zegt:

“Nu dan, betert uw handel en wandel, en hoort naar de stem van de HERE, uw God; dan zal de HERE berouw hebben over het kwaad dat Hij tegen u gesproken heeft.”

Jona 3:10 zegt:

“Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.”

In beide gevallen (net als in de gevallen van Adam en Kaïn), handelt God met ongehoorzame kinderen, en is gerechtvaardigd in termen van kinderen te spreken, voor hun uiteindelijke bestwil. Voor zover het Israël en de Nineve aangaat, zal God van gedachten veranderen als zij bepaalde dingen doen. Maar vanuit God geredeneerd, verandert God nooit van gedachten (1 Samuel 15:29). Het ene gezichtspunt is het menselijke perspectief, het andere het goddelijke perspectief.

In zijn menselijke houding naar de bewoners van Nineve bijvoorbeeld (door hen via Jona de profeet te vertellen “Nog veertig dagen en Nineve wordt ondersteboven gekeerd”, Jona 3:4), veroorzaakt God hun berouw, precies wat Hij al die tijd van plan was. God was nooit van plan Nineve ondersteboven te keren, maar Hij is gerechtvaardigd de rol aan te nemen van Iemand die haar ondersteboven zou keren, omdat het het grotere goed bewerkte, dat is, het berouw van de bewoners van Nineve. God speelt geen spelletje, Hij zegent zijn schepselen. Dat God de rol aannam van Iemand die Nineve ondersteboven zou keren was het middel tot Zijn wil (dat is anthropomorfisme; Hij wilde nooit Nineve ondersteboven keren), niet zijn echte wil (absoluut; dat de bewoners van Nineve berouw zouden krijgen).

DE WET

God deed ook zoiets met de wet. In Exodus 32:8, net nadat de wet vanaf de Sinai gegeven was, zei God over Israël: ” Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden had.” In sommige plaatsen in de Hebreeuwse Schriften, komt God zelfs over als verward, verrast, en zelfs verbolgen over het onvermogen van Zijn volk de wet te houden. Zou God ooit gefrustreerd zijn? Nee. Hij neemt deze rol op zich (wederom anthropomorfisme), voor het bestwil van zijn volk. Het was absoluut essentieel in zijn bedoelingen met Israël (en de wereld) dat de wet zou falen, om zo ruimte te maken voor een Redder door Wie Hij zijn hart zou onthullen. Om te zorgen dat dit zou slagen, moest Israël oprecht denken en geloven dat ze de wet zouden kunnen houden. Om Gods bedoeling zo goed te laten slagen als het heeft gedaan (de bedoeling dat Israël en een universum gered zou worden door de macht van Zijn hand, door het bloed van Zijn kruis), was het essentieel dat Zijn volk onwetend was van dat plan – gedurende een seizoen.

We weten door Paulus in Romeinen 8:3 dat de wet onmogelijk was voor het vlees. We weten door Paulus in Romeinen 5:20 dat de wet gekomen is opdat de overtredingen zouden toenemen. We weten door Paulus in Galaten 2:16 dat geen vlees door de wet gerechtvaardigd zou kunnen worden al zou het dat willen. Wist God deze dingen niet ten tijde van de Sinaï? Natuurlijk wist Hij dat. Waarom liet Hij dat dan niet merken? Het was voor zijn uiteindelijke bedoeling. Zijn plan voor de mensheid was al gemaakt voordat er een mensheid was, want Hij is Degene “die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen” (Jesaja 46:10). Zie je nu hoe geduldig en lankmoedig God is in de geleidelijke ontplooiing van zijn wijze raadsbesluiten?

ISRAËL ALS EEN NATIE

Jezus zei in Mattheus 23:37

“Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild.”

Dit is onze Heer die zich uitdrukt in het perspectief van mensen. Had het volk Hem toen ontvangen, dan was het Koninkrijk gekomen buiten zijn lijden en sterven om. Dit kon, natuurlijk, niet zo zijn, omdat Hij “Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld” is (Openbaring 13:8). En welke zegen zou de volken ten deel zijn gevallen buiten de verharding van Israël om? Geen (Romeinen 11:12). Jeruzalem moest Hem afwijzen, en dat wist Hij. Toch spreekt Hij vanuit het gezichtspunt van een mens hier (ik geloof dat Jezus echt lijdt, Hij voelt de pijn van afwijzing), voor het bestwil van de mensheid. Doordat Hij dit uitspreekt, ziet de mens zijn eigen fouten en wordt tot berouw bewogen. Zijn de ultieme raadsbesluiten van God ongedaan gemaakt? Nooit. Daarentegen, de absolute raadsbesluiten van God staan, en dit zijn ze:

“God gaf hun [Israël] een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden.” (Romeinen 11:8)

“een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat” (Romeinen 11:25).

“Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken” (Romeinen 11:11)

“Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!” (Romeinen 11:12)

“Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?” (Romeinen 11:15)

“en aldus zal gans Israël behouden worden” (Romeinen 11:26)

Ongeacht wat mensen zeggen over God wat dit tegenspreekt, God is GEEN mens! Punt.

Rust hierin.

Clyde L. Pilkington, Jr.
Daily Email Goodies, 27 juni 2010
© 2010

* In het originele stuk staat hier “condescention”. Dit is een lastig woord om te vertalen, omdat het zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord kan zijn. Het Nederlands kent het woord “neerbuigendheid”, wat in principe een goede vertaling is, maar het heeft een negatieve klank die het oorspronkelijke woord niet heeft. Vandaar dat ik de complexere maar neutralere term anthropomorfisme heb gebruikt. Hier is echter niet een werkwoord van te maken, dus sommige delen heb ik vrijer vertaald dan gewoonlijk. De lading is naar mijn idee behouden gebleven, maar ik heb het Engels iets minder nauwgezet gevolgd dan de voorgaande vertalingen.

<< vorige volgende >>
reageer