Skip to content

kerkverzuim?

In mijn vorige bericht vertelde ik al dat we niet altijd begrepen worden in ons omdenken. Kritiek is nooit leuk, maar vaak wel leerzaam. Want het laat zien waar de pijnpunten liggen, en dat spoort ons aan om daar nog eens goed naar te kijken. Ik heb al laten zien dat het tweede-kans-verwijt niet houdbaar was [zie hier]. Althans, de tekst die gebruikt wordt in het verweer spreekt niet van kansen. Maar dat is niet het enige dat we vaker horen. Een andere berisping die we regelmatig krijgen is dat wij de samenkomsten verzuimen. Dat onze terugtrekking uit de gemeente betekent dat we niet luisteren naar Gods Woord en dus in overtreding zijn. De passage waaraan deze vermaning is ontleend is komt ook weer uit Hebreeën. En wel het tiende hoofdstuk, direct volgend op het hoofdstuk waar ik de vorige keer over schreef. Ik wil je laten zien dat ook deze tekst over heel wat anders spreekt dan wij meestal denken. Het gaat om deze passage:

Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. – Heb. 10:25

De tekst staat zoals gezegd in hoofdstuk 10. Dit hoofdstuk volgt op hoofdstuk 9 en gaat vooraf aan hoofdstuk 11. Dit lijkt een onnozele constatering, maar voor het begrijpen van vers 25 is het niettemin relevant. Want in hoofdstuk 9 wordt de parallel getrokken tussen de oudtestamentische hogepriester en Christus. En met de dood van de Hogepriester Christus bleek een hoop gemoeid te zijn. Het elfde hoofdstuk vertelt dat geloof de zekerheid is van de dingen die men hoopt. En het vervolgt met te vertellen hoe diverse geloofshelden gestorven waren zonder de aan hun gedane belofte te hebben mogen zien uitkomen (Heb. 11:13). En hoofdstuk 10 zit daar tussenin – tussen Jezus’ volbrachte werk en de onvervulde hoop.

[Bedenk ook dat we in het vorige stuk al hadden gezien dat de geadresseerden Joden zijn, niet alle mensen uit alle landen en tijden.]

context

Het eerste deel van het tiende hoofdstuk werkt de vervulling van de wet en de oudtestamentische tempeldienst verder uit. In vers 23 wordt de omslag gemaakt naar de belofte:

Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. – Heb. 10:23

Dus vanaf hier lijkt te worden toegewerkt naar hoofdstuk 11, met een appèl op de trouw van God. De Nederlandse vertalingen hebben unaniem “hoop” weergegeven, maar “verwachting” geeft de betekenis van het woord beter weer. Het Nederlandse “hopen” heeft een ingebakken onzekerheid. Als je zegt: “ik hoop het”, dan weet je het niet zeker. Maar de ontvangers van de Hebreeënbrief hadden een verwachting, net als de geloofshelden uit hoofdstuk 11. De belofte van het Koninkrijk der hemelen, in het land dat aan hun vaderen was toegezegd.

Deze tekst bevindt zich middenin een denkspoor dat al in vers 19 begint: “Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus”. Vanwege deze vrijmoedigheid geldt de opsomming van de teksten die volgen: het kunnen “toetreden met een waarachtig hart” (vs. 22), “de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden” (vs. 23), “op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken” (vs. 24) en “onze eigen bijeenkomst niet verzuimen” (vs. 25).

Dus de aansporing is om toe te treden en te blijven hopen (verwachten). En daarna volgt de passage waar we het nu over hebben:

En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. – Heb. 10:24,25

Nu spoort vers 24 aan om iets te doen: liefhebben en goede werken doen. Dus het is best mogelijk dat het volgende vers ook aanspoort om iets te doen, namelijk de samenkomst niet verzuimen. Maar de bredere context is de erfenis uit hoofdstuk 9, de vrijmoedigheid door Jezus’ bloed (vs. 19) en de hoop (vs. 23). En er wordt toegewerkt naar geloof bij het uitblijven van de vervulling van de hoop, in hoofdstuk 11. Dus, gaat het hier nou om de kerkdienst, zoals ons altijd wordt verteld, of niet? Niets wijst tot nu toe in die richting, maar hoe weten we nu zeker wat de aansporing betekent?

woordwijzer

Een ander gereedschap om de bijbel te begrijpen is woordstudie. Wanneer je niet zeker weet of je dezelfde betekenis verstaat als de mensen aan wie de brief was geschreven, kun je onderzoeken hoe bepaalde woorden elders in de bijbel worden gebruikt. De twee woorden waar we de betekenis van moeten zekerstellen zijn “bijeenkomst” en “verzuimen”. Niet de Nederlandse vertaling, want iedereen weet wat een bijeenkomst is, of wat verzuim betekent, maar de Griekse woorden die er aan ten grondslag liggen. We gaan kijken naar de andere passages waar deze woorden voorkomen. Dat zal ons veel vertellen over de strekking en betekenis van de termen.

We beginnen met het woord “verzuimen”. Andere vertalingen hebben hier “nalaten”. Maar alleen bij dit vers is voor zulke vertalingen gekozen. Alle andere keren dat dit Griekse woord in het Nieuwe Testament is vertaald, staat er “verlaten” (zie voor de tekstverwijzingen onderaan). Als dat woord negen van de tien keren de beste vertaling bleek, zal dat ook de hoofdbetekenis van het woord het beste weergeven.

En dan het woord “bijeenkomst”. Dit woord wordt ook wel met “samenkomst” vertaald, maar in bijna alle andere tekstplaatsen waar dat woord voorkomt wordt het vertaald met “verzamelen” of “(bijeen)vergaderen” (zie voor de tekstverwijzingen onderaan). Wederom, als die vertaling bijna alle keren het beste bleek te passen, dan zal dat de primaire betekenis van het woord zijn.

Dit lijken slechts nuanceverschillen, maar ze zijn niettemin belangrijk. Want, zoals je aan de tekstverwijzingen kunt zien, is de betekenis van “vergaderen” ongeveer de helft van de keren niet zozeer een actief maar een passief gebeuren. Niet “zich vergaderen”, maar “vergaderd worden”. Zoals een hen haar kuikens, om maar een voorbeeld te noemen. De vorm waarmee het woord in vers 25 voorkomt is iets anders dan in de meeste andere tekstplaatsen. Het wordt maar op één andere plaats in het Nieuwe Testament gevonden, namelijk in 2 Thessalonicenzen. En daar staat het zo weergegeven:

Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem – 2 Thes. 2:1

Hier wordt het “(bijeen)vergaderen” vertaald met “vereniging”, in de passieve zin. Niet iets wat wij doen, maar iets wat ons zal overkomen. Wanneer Christus terugkomt zullen we met Hem verenigd worden. Het lijkt er dus op dat de bijeenkomst niet spreekt van ons samenkomen, maar van ons samengebracht worden.

toegespitst

En nu brengen we alles bij elkaar. Wat was toch de belofte die de Hebreeën (de Joden) hadden, die ze nog niet hadden zien vervuld worden? Wat was hun verwachting, hun hoop? Het komende Koninkrijk natuurlijk! “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”, klonk het vanaf de Evangeliën. Maar toen deze brief geschreven was, ergens tussen 60 en 70 na Christus, was het er nog steeds niet. Sommige Joden lieten de schouders hangen, en geloofden er niet meer in. Maar Paulus spoort aan om niet te verslappen in de hoop.

Elke Jood wist wat er bij de komst van het Koninkrijk zou gebeuren. Al sinds de sluiting van het verbond was voorzegd dat God zijn volk om haar ongehoorzaamheid zou verstrooien onder alle volkeren (Deut. 28:64). Maar dat Hij het eens weer zou samenbrengen (Deut. 30:2,3, Jer. 31:10) of “bijeenvergaderen”. Ten tijde van de bijbelschrijvers was dat nog niet gebeurd, getuige onder andere de aanhef van Jakobus (Jak. 1:1) en Petrus (1 Pet. 1:1).

Welnu, hoofdstuk 9 en het begin van hoofdstuk 10 spreken van Christus en de gevolgen van Zijn volmaakte offer, en hoofdstuk 11 gaat over geloof, het vasthouden aan je verwachting. Is het dan niet aannemelijk dat de rest van hoofdstuk 10 de brug slaat tussen Christus en de verwachting? Tussen de komst van de Koning en Zijn Koninkrijk, en de daarmee gepaard gaande “vergadering” van zijn verstrooide volk? De lezers werden aangespoord de “vergadering” (het vergaderd worden) niet te “verlaten”. God heeft het beloofd, en Hij is trouw. Hij zal het doen. Maar wat niemand had zien aankomen: het zou niet bij de eerste komst van de Messias gebeuren, maar bij zijn tweede.

[Opmerkelijk detail: in de grondtekst van Deut. 30:3 staat ook eigenlijk dat God zal wederkeren. Zie hier (lees de groene letters, als je het Hebreeuws niet machtig bent, zoals ik). Bijna geen enkele vertaling geeft dat goed weer, maar dat zou betekenen dat zelfs zo vroeg in de bijbel de bijeenvergadering al wordt gekoppeld aan de wederkomst]

Met deze Joodse context in het achterhoofd, laten we de passage nog een keer lezen.

Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw. En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen. – Heb. 10:23-25

Niets in de passage rechtvaardigt de lezing dat hier de kerksamenkomsten worden bedoeld. Heel de Joodse voorgeschiedenis dringt juist de tekst te begrijpen in het licht van de voorzegde terugkeer naar het beloofde land. Let wel, er is niets mis met een samenkomst van gelovigen. In tegendeel, het is goed om elkaar te ontmoeten en te delen in je geloof en hoop. Maar doe het vanuit je verlangen naar die ontmoeting. Niet omdat het moet. Het is niet voor niets een ont-moeting!

tekstverwijzingen:

verzuimen
Rom. 9:29 – (over)gelaten
Mat 27:46 / Mar 15:34 – verlaten
Hand. 2:27,31 – verlaten
2 Cor. 4:9 – verlaten
2 Tim. 4:10 – verlaten
2 Tim. 4:16 – verlaten
Heb. 10:25 – verzuimen / nalaten
Heb. 13:5 – verlaten

samenkomen
Mat. 23:37 / Luk. 13:34 – (bijeen)vergaderen als een hen haar kuikens
Mat. 24:31 – verzamelen / (bijeen)vergaderen
Mark. 13:27 – verzamelen / bijeenbrengen / bijeenvergaderen
Mark. 1:33 – verzameld / bijeenvergaderd / te hoop gelopen
Luk. 12:1 – bijeengekomen / verzameld / bijeenvergaderd
Luk 17:37 – zich verzamelen / vergaderd worden

samenkomst
2 Th. 2:1 – toevergadering / vereniging met Christus
Heb. 10:25 – samenkomst

  1. André Piet / jul 16 2011

    Een heel frisse benadering! Nog niet eerder in deze richting gedacht. Blijft over de vraag: doelt de schrijver (m.i. Paulus) hier op de toekomstige vergadering van Israël uit de volken (Deut.30:6) of wellicht de “toevergadering” zoals hij deze aan de Thessalonikers had bekend gemaakt?
    Anyway: een eyeopener!

  2. goswindeboer.nl / jul 16 2011

    He André, inderdaad een vernieuwende kijk. Ik hoorde voor het eerst een hint in deze richting van Dan Sheridan (crossandthrone.com). Maar hij weidde er verder niet over uit, dus ik heb zelf het denkspoor verder uitgevlooid. En het resultaat is een heel plausibel perspectief, vind ik zelf. Maar om welke ‘toevergadering’ het gaat, is misschien wat minder helder dan ik in eerste instantie zou denken.

    Het is heel voor de hand liggend om de tweedeling Paulus – heidenen – hemel en Petrus – Joden – aarde te maken. En al was het waarschijnlijk Paulus die de Hebreeënbrief schreef, zijn toehoorders waren Hebreeën, dus zou het in het tweede rijtje thuishoren. De aardse toevergadering van de Joden, uit alle volken weer naar het Vaderland.

    Maar – en dat doe ik uit het hoofd, zonder het diepgaand te hebben bestudeerd – ik heb dr. Ernest L. Martin al eens horen beweren dat de Hebreeënbrief wellicht toch aan heidenen geschreven zou zijn (zijn idee was dat het de Galaten waren). En elders heb ik al eens vernomen dat de Thessalonisenzenbrieven wellicht de eerste brieven zijn die Paulus heeft geschreven. Dus nog voor zijn geheimenis-brieven die de hemel in beeld brengen. Dat zou wellicht weer gewicht geven aan de gedachte dat tóch de toevergadering wordt bedoeld die toendertijd in beeld was, de aardse vergadering in Israël.

    Maar mijn eigen gedachten zijn tot dusver gevormd zonder de bovenstaande gegevens. Daarvoor heb ik ze nog te weinig onderzocht. Ze zitten nog ergens in een nog-te-bestuderen-mapje in mijn denk-archief. Ik zie het zo: Hebreeën spreekt van de toevergadering uit de volken van het volk Israël, hier op aarde. Thessalonicenzen spreekt van onze toevergadering in de lucht (1 Thes. 4:17), als startsein voor onze hemelse missie (Ef. 3:10).

    Hoe zie jij deze dingen?

  3. André Piet / jul 27 2011

    Ha Goswin,

    Wat jouw reactie daarop betreft: ik denk dat Paulus de Hebreeën voorbereidt op de catastrofe die binnenkort Jeruzalem zou treffen (in 70AD). Tegelijkertijd wijst hij hen op de verborgenheden van het OT, met name van de dienst in het heiligdom. Voorlopig geen zichtbare Koning zoals zij deze op korte termijn verwachtten, maar een aan het oog onttrokken Hogepriester in het heiligdom. Een leven in geloof, niet in aanschouwen, dat is de samenvatting van Hebreeën 11. Aan het einde van de brief kondigt Paulus ook zijn bezoek aan, samen met Timotheüs, aan de Hebreeën (13:23). Paulus had nog veel meer te melden aan deze mensen die een switch in hun mindset moesten meemaken, van jewelste! Petrus zinspeelt daar ook op in 2Petr.3:15 als hij schrijft over een brief die hij “u geschreven heeft”. Dat was “moeilijk te verstaan…”.
    Kortom, de ‘epi-sunagoge’ in Hebr.10 wordt om deze redenen wellicht niet nader gedefinieeërd.

    Voor wat het waard is.
    Het ga je goed!

reageer