Skip to content

oud nieuws?

Het wordt me soms voor de voeten geworpen: “de dwaalleer dat allen gered worden is voor jou misschien nieuw en opwindend, maar de kerk heeft die ketterij al eeuwen geleden verworpen.” Heel subtiel wordt eigenlijk gezegd: “Jongen, dit is oud nieuws, maar je ben gewoon niet zo goed op de hoogte.” Maar ik hoop dat ik met het vorige artikel al heb laten zien dat niet de consensus van de Concilies de doorslag geeft. Al voelt het misschien veilig en vertrouwd dat je een visie aanhangt die de goedkeuring van de geleerden krijgt en het gewicht van de grote groep draagt, massa en menselijke merites betekenen weinig in de bijbel.

In dit artikel wil ik wat dieper ingaan op iets opmerkelijks uit het citaat dat ik de vorige keer aanhaalde. Ik weet niet of het je ook opviel, maar Marion Reynolds liet nog een patroon zien, naast het principe van de enkeling. Ik laat de bewuste paragraaf nog eens zien:

De kerk in de wildernis verheerlijkte Abraham en vervolgde Mozes. De kerk van de koningen verheerlijkte Mozes en vervolgde de profeten. De kerk van Kajafas verheerlijkte de profeten en vervolgde Jezus. De kerk van de pausen verheerlijkte de Heiland en vervolgde de heiligen. En de hedendaagse menigte, zowel in de kerk als in de wereld, bejubelt de moed en kracht van de patriarchen en profeten, de apostelen en de martelaren, maar veroordeelt de zelfde trouw aan de waarheid vandaag als koppigheid en dwaasheid.
[Marion H. Reynolds Jr.(1919-1997), Standing Alone, Foundation Magazine]

Zie je wat ik bedoel? Het lijkt wel alsof de grote groep steevast de oude openbaringen aanklampt. Wanneer God iets nieuws vertelt blijft ze liever bij het vorige verhaal – bij het oude nieuws. Zijn wij mensen echt zo behoudend, verknocht aan het vertrouwde? God is in beweging, maar wij liever niet? Deze vraag is de moeite van het onderzoeken waard. We gaan eens kijken of er inderdaad sprake is van een soort hekgolf-hang: liever de deining dan de boot.

Om te weten of we Gods laatste woorden hebben verstaan én geloven, moeten we ontdekken wanneer God voor het laatst gesproken heeft. Hebreeën 1 vertelt ons wat we willen weten:

Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon – Heb. 1:1,2a
De laatste woorden van God hebben we dus gekregen in zijn Zoon, Jezus Christus. Hij sprak tot veel mensen tijdens zijn leven hier op aarde, en Hij gaf volop onderwijs in woord en daad. En na zijn opstanding is hij nog veertig dagen aan de apostelen verschenen en heeft hij gesproken over de dingen van het Koninkrijk (Hand. 1:3). Maar waren dat zijn laatste woorden? Heeft Jezus sinds de hemelvaart niet meer van Zich laten horen? Paulus zegt in 1 Kor. 15:
en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen – 1 Kor. 15:5-8

Bij zijn verschijning aan Paulus heeft Jezus óók gesproken. Immers, Hij zei: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt” (Hand. 9:5) en stuurde hem de stad in. Maar was dat alles wat Hij zei? Bij zijn verdediging voor koning Agrippa vertelt Paulus wat Jezus nog meer had gezegd:

En ik zeide: Wie zijt Gij, Here? En de Here zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan, dat gij Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal – Hand. 26:15,16

Dus de Here Jezus had Paulus aangewezen als dienaar en getuige. En Hij had beloofd dat Hij Paulus nog vaker zou opzoeken. Het bleef niet bij die ene keer in Damascus, om van de vervolger een volgeling te maken. Nee, er zou nog een verschijning volgen, misschien zelfs wel meerdere, en Paulus zou dingen te horen krijgen die “eeuwen en geslachten lang verborgen zijn geweest” (Kol. 1:26). Dingen die dus ook verborgen waren voor de mannen die apostelen waren vóór hem. Vandaar dat Paulus in zijn aanhef aan de Galaten onderstreepte dat zijn boodschap direct van Jezus afkomstig was:
Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus. – Gal. 1:11,12
Als dit dezelfde boodschap was die de twaalf predikten, dan had hij veel meer zeggingskracht gehad wanneer hij zei: “ik heb dit met de apostelen afgestemd”. Paulus had kunnen uitweiden hoe hij in Jeruzalem bij hen in de leer was geweest, en daar hun erkenning had gekregen. Jezus had Paulus slechts naar Jeruzalem hoeven sturen voor gedegen onderwijs over dat evangelie. Nee, Paulus maakt er juist een punt van dat hij niet direct naar Jeruzalem was gegaan, nadat Jezus aan hem was verschenen, maar naar Arabië (Gal. 1:17). Paulus had zelfs zo’n andere boodschap, dat hij de twaalf moest uitleggen wat het was.
En ik legde hun het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig – Gal. 2:2a

Dus zoveel is duidelijk: Paulus had een ander evangelie, en hij bracht dat onder de heidenen. De belangrijke vraag is nu: wat doen we met dit onderscheid. Ik heb zovaak gehoord of gelezen: Paulus en de twaalf verschillen slechts in nuances. Het zijn afzonderlijke aspecten van dezelfde boodschap. Ik hoop dat je met de bovenstaande uitleg begint te begrijpen dat dat niet waar kan zijn. Er zijn twee verschillende berichten, voor twee verschillende doelgroepen. Gaan we ze combineren, zoals bijna altijd wordt gedaan? Gewoon het hele nieuwe testament samenvoegen, en de verschillen naar elkaar toe theologiseren? Laten we kijken wat de apostelen zelf besloten te doen, toen ze hoorden van de boodschap van Paulus:

toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan [lett. van] de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan [lett. van] de besnedenen, – immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, – en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan. – Gal. 2:7-9

Zie je dat? Ze lieten de verschillen gewoon bestaan! Paulus’ boodschap was niet voor de besnedenen. Dat wisten ze heel goed. En hun eigen boodschap was niet voor de heidenen, want dat apostelschap was – met een aparte boodschap – aan Paulus gegeven. Twee bestemmingen, twee berichten. Ook in de brieven blijft dat verschil gehandhaafd. De boodschappers en de geadresseerden waren en bleven gekoppeld. Nergens in de bijbel wordt het onderscheid opgeheven of geharmoniseerd. Geen van de apostelen eigent zich de boodschap van Paulus toe, en Paulus doet dat ook niet met de woorden van de twaalf. In Galaten 1:8,9 laat hij zelfs met niet mis te verstane woorden weten dat zijn boodschap niet aangevuld of aangepast mag worden. Voor een overzicht van enkele opmerkelijke verschillen tussen de boodschappen, lees dit artikel.

Ik hoop dat je begint te begrijpen dat het boek Handelingen cruciaal is. Niet voor het vinden van het ideale gemeentemodel, maar om te verstaan in welke tijd we nu leven. Er was een ommekeer op handen en het boek Handelingen beschrijft de overgang. Tot en met Handelingen was de bijbel een Joods verhaal. Aan het volk, voor het volk. Maar dan komen de heidenen in beeld, met een eigen apostel en een eigen boodschap. Even bestaan beide boodschappen naast elkaar, maar die van Paulus was in opkomst en die van de twaalf juist in verval. De reden van deze wending is kernachtig verwoord in hoofdstuk 13:

Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. – Hand. 13:46

En sinds die woorden wordt de aandacht in Handelingen steeds meer gevestigd op Paulus en komen de twaalf op de achtergrond. Aan het einde van Handelingen wordt de bekering en genezing van Israël verbeurd verklaard. Het Koninkrijk was tot nader order uitgesteld. Paulus zegt hierover: “een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat” (Rom. 11:25).

We bevinden ons sindsdien in de periode van de heidenen. Israël is voor nu geschorst. Zal dat dan niet ook voor haar boodschap gelden? De waarheid voor vandaag is de nieuwe: de boodschap die Paulus van Jezus had ontvangen voor de heidenen. De brieven van de twaalf, de evangeliën en eigenlijk alle andere bijbelboeken zijn voor ons informatief, maar niet instructief. God openbaart Zich in heel de Schrift, maar Zijn voorschriften en het onderwijs voor nu vinden we in de brieven die aan ons zijn gericht. Binnenkort, wanneer de volheid van de heidenen is binnengegaan, zal opnieuw bekering en berouw gepreekt worden tot het volk. Dan zal het Koninkrijk voor de derde keer aan het volk worden voorgehouden. Dan zullen ook de brieven aan het volk weer actueel zijn.

Wees eerlijk, zijn wij gelovigen volledig op de hoogte? Luisteren we allemaal naar Gods laatste nieuws? Leggen we ons oor te luisteren bij Paulus, zonder zijn woorden te mengen en te middelen met die van de twaalf? Of is er ook vandaag de dag sprake van hekgolf-hang: bewondering voor het oude nieuws, en weerstand tegen het nieuwe? Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat er weerstand is, veel weerstand en veroordeling. Ook van andere gelovigen die Paulus’ woorden nemen zoals ze er staan, weet ik dat ze veel tegenstand ervaren. Het is ook niet verwonderlijk, want mevrouw Reynolds liet al zien dat het in de geschiedenis altijd zo is geweest.

…Oud nieuws dus, eigenlijk.

  1. boukje / sep 18 2011

    Na lange tijd kwam ik (gelukkig) weer eens op deze site terecht. Mooi, duidelijk, leerzaam… Gods laatste nieuws, aan Paulus….We kijken toch ook niet naar het journaal van een jaar geleden, of lezen een krant van lange tijd geleden.

  2. goswindeboer.nl / sep 22 2011

    He Boukje

    Dank voor je compliment. Ja, als je het ontdekt, vraag je je af hoe je het niet eerder had opgemerkt. Ik denk dat het komt omdat Paulus en de andere apostelen al vanaf het begin wél worden gemengd, dat enkele onderscheidende begrippen elkaar hebben gekleurd. Genade en vergeving zijn vermengd geraakt, de hemel en het Koninkrijk der Hemelen zijn aan elkaar gelijk gesteld, het eeuwige leven en de redding zijn synoniem geworden, de kerk is eeuwenlang aan Israël gelijk geweest (en in sommige genootschappen misschien nog wel), de instructies van Jezus aan de twaalf worden op iedereen toegepast – alsof Jezus het eigenlijk tegen ons had – en zo kan ik nog wel even doorgaan. We verstaan de verschillen misschien niet meer, omdat we de betekenis van de begrippen niet meer zuiver hebben. En als Paulus dan moeite doet om zich toch te onderscheiden van de twaalf, menen we hem te moeten corrigeren door te zeggen dat hij bedoelde dat hij alleen maar een ander gezichtspunt preekte.

    Dat die opeenstapeling ons allerlei problemen oplevert wordt voor lief genomen. Dat mogen de theologen rechtbreien. En plotseling moet met veel woorden worden verdedigd dat Paulus woorden in Romeinen:

    Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus – Rom. 5:1

    Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. – Rom. 3:28

    Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. 5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid – Rom. 4:4,5

    eigenlijk hetzelfde moeten betekenen, maar vanuit een ander aspect, als de woorden van Jakobus:

    Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? Jak. 2:14

    Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. Jak. 2:17

    Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood. Jak. 2:26

    Voor iedereen met gezond verstand is het glashelder: deze twee heren zijn het niet met elkaar eens. Maar toch dringt de theologie aan op eenheid. De heren moeten wel het zelfde bedoelen, want eensheid zit in onze vooronderstellingen.

    Net zo met de redding van allen. Dat kan niet kloppen zijn omdat we eeuwig leven gelijk hebben gesteld aan de redding. En niet iedereen ontvangt het eeuwige leven. Ik heb zelfs iemand horen zeggen dat 1 Tim. 4:10 (“Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, Die een Behouder is aller mensen, maar allermeest der gelovigen.” – SV) een probleemtekst is. Het meest hoopvolle scenario voorstelbaar is een probleem! Al spoort Paulus één verst verder aan “beveel en leer dit”, wanneer je de redding van allen uitdraagt word je een probleemgeval. Ik kan het weten. In deze kwestie wordt theologie ineens statistiek (gecombineerd met een liefde voor de oude openbaringen, zoals ik hierboven heb laten zien). Er zijn meer teksten die spreken van de hel en het oordeel dan van de redding van allen. Als we ze tegen elkaar wegstrepen, wint de hel het. Bovendien was het Jezus die over de hel sprak, en hij zal het toch beter weten dan Paulus.

    …Ach, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Gelukkig is er niet overal weerstand, Boukje. Ik ben blij met je instemming en aanmoediging.

  3. pietsje / sep 22 2011

    Hoi Goswin,

    Weer een mooi stuk , maar ik wil nog even reageren op datgene wat Paulus en Jacobus zeggen over geloof en werken, volgens zijn ze het wel eens en ik zal proberen uit te leggen hoe ik het zie.
    Paulus zegt, dat we niet gerechtvaardigt zijn door de werken der Wet, maar uit/door geloof in Jezus Christus.
    Jacobus zegt hier, dat het geloof je niet zonder werken laat, want als er geen werken uit je geloof voortkomen is het een dood geloof.
    Volgens mij zijn Paulus en Jacobus het wel helemaal eens met elkaar wat betreft dat de mens niet gerechtvaardigt wordt uit werken der wet maar door uit/geloof alleen, maar volgens mij hebben ze het hier niet over dezelfde werken.
    Het is duidelijk dat wij mensen zijn niet gerechtvaardigt door datgene wat wij vóór God doen of laten, we zijn alleen gerechtvaardigt voor God, door wat Jezus Christus vóór ons heeft gedaan.
    Jacobus heeft het hier dan ook niet over werken der wet (vlees) die Paulus bedoeld, maar over de Werken Gods (Geest).
    Het is nooit Gods bedoeling geweest dat we vóór Hem zouden werken, Gods Harstverlangen was en is nog steeds om met de mens samen te werken, God wilde met Zijn Geest door onze geest heen stromen en de Werken die daaruit voortkomen zijn Geest én Leven, over die Werken heeft Jacobus het.
    Jacobus reageert hier dus vanuit de positie die we hebben in Christus, het is de Geest van Christus/Zalving die door je heen wil stromen om de werken Gods te doen, net als bij Jezus en Zijn Woorden waren zelfs, dat we zelfs nog grotere werken zouden doen dan Hem.
    Als we God op Zijn Woord gaan geloven/vertrouwen, dan zullen er automatisch stromen van Levend Water uit ons binnenste vloeien zegt Gods Woord, (oorzaak en gevolg/zaaien en oogsten) wonderen en tekenen zullen ons volgen.
    Dit zijn volgens mij de Werken waar Jacobus het over heeft, als de Kracht van de Heilige Geest zo door ons heen kan stromen, laat dat ons zeker niet zonder werken, Jezus is hierin ons grote voorbeeld en als wij zeggen dat we geloven in Jezus Christus dan horen daar Zijn Werken ook bij.

    Groetjes Pietsje.

  4. goswindeboer.nl / sep 23 2011

    he Pietsje

    Dank voor je reactie. Leuk om zo van gedachten te wisselen. Ik kan het alleen niet met je eens zijn. Jakobus bedoelt wel degelijk de werken van de wet van Mozes. Immers, enkele verzen ervoor citeert hij enkele van de Tien Geboden (Jak. 2:11).

    Hij haalt later Abraham aan en zijn gehoorzaamheid bij het offer van Izaäk (Jak. 2:21 – Gen. 21) om zijn punt kracht bij te zetten. Die gebeurtenis vond plaats ná de besnijdenis van Abraham (Gen. 17). Een passend citaat dus, want hij schreef aan besnedenen (Jak. 1:1). En het genoemde voorbeeld is inderdaad typisch voor geloof samen met gehoorzaamheid. Precies wat de wet van Mozes ook eist van het besneden volk. Paulus haalt Abraham óók aan (Rom. 4:1-21), maar dan een eerdere geschiedenis, vóór zijn besnijdenis (Gen. 15). Ook weer passend, want hij schreef aan onbesnedenen. Die situatie ging juist over iets waar Abraham niet eens aan KON werken. Immers, zijn vruchtbare jaren waren al voorbij, en die van Sarai ook. God gaf leven toen menselijkerwijs alles dood was. Abraham geloofde slechts dat God in staat was dat voor elkaar te krijgen terwijl hij zijn eigen ‘verstorvenheid opmerkte’. Dat is een typisch voorbeeld van pure genade: alles van God, en niets van onszelf. Precies in lijn met Paulus’ boodschap.

    Het verschil Jakobus – Paulus is illustratief voor de omwenteling in Handelingen. Jakobus was een broer van Jezus (naar het vlees). Paulus heeft Jezus alleen als verheerlijkte Heer ontmoet (naar de geest). Jakobus heeft langzaamaan een belangrijke positie verworven in de gemeente gedurende Handelingen. Vanwege zijn bloedband met Jezus, natuurlijk. Maar Petrus was degene die Jezus had aangewezen als leider. Jakobus’ carrière was typisch voor de neergang van Israël en haar verwerping van de Messias. Petrus was de aangewezen persoon, maar Jakobus kreeg alsmaar meer aanzien. Israël bleef ‘in het vlees’. Je ziet dat ook terug in het weergeven van de namen. De eerste hoofdstukken worden alleen de apostelen gevolgd Handelingen, dan wordt Jacobus ineens samen met enkele van de apostelen genoemd (Hand. 12:17, Hand. 15:6-13), en nog later wordt alleen hij nog bij naam genoemd (Hand. 21:18).

    De verschillen tussen beide kunnen we gewoon laten staan, omdat beide heren zich tot verschillende groepen richten. De besnedenen zijn degenen aan wie de wet is gegeven. Eens zullen zij er aan kunnen voldoen (Jer. 32:40 en vele andere teksten). Aan ons van de natiën is de wet nooit gegeven, en na onze bekering wordt die ook niet stiekem in het introductiepakket bijgesloten. Wat God met ons doet is vanuit het niets (genade) geloof en onvoorstelbare zegeningen geven. Zonder werken.

    …En als je het helemaal eerlijk beschouwt is zelfs de gehoorzaamheid aan de wet een gave van God. Gods volk zal aan de geboden voldoen nadat God hen daartoe in staat zal stellen. Eigenlijk ook louter genade dus. Maar dan met werken.

    Zo zie ik deze dingen althans.

  5. pietsje / sep 28 2011

    Hoi Goswin,

    Ik kom nog even terug op jou reactie met een vraag, als Jacobus het in 2:14;17;24 en 26 volgens jou heeft over de werken der wet, hoe zie jij dan Jac 1:19-25.
    En wat bedoel je precies met dat Jacobus Abrahams gehoorzaamheid erbij haald om zijn punt kracht bij te zetten, ik begrijp dat niet helemaal want volgens mij heeft dat niets met de werken der wet te maken, maar alles met werken die voortkwamen door geloof in God de Vader 2:20-24, de wet kwam ongeveer 500 jaar later.

    Groetjes Pietsje.

  6. goswindeboer.nl / sep 28 2011

    He Pietsje, dank voor je goede vragen. Ik zal in het weekend proberen een antwoord te formuleren. Ik zit nu te blokken voor een moeilijke toets.

    grG

  7. goswindeboer.nl / okt 2 2011

    He Pietsje

    Hier dan de beloofde gedachten. Het is misschien wat een warboel, maar wat ik denk is dan ook volop ‘werk in uitvoering’. Ik hoop dat je er iets mee kunt. Allereerst over Abraham. Je hebt helemaal gelijk dat de wet veel later kwam dan Abraham. Maar ik noemde de geschiedenis van Abraham omdat Jakobus dat ook doet, en wel om aan te geven dat geloof en gehoorzaamheid niet zonder elkaar kunnen. En voor de kinderen van Abraham naar het vlees, de besnedenen, is dat ook zo, sinds de wet gekomen is. Paulus noemt Abraham ook, maar dan de geschiedenis van de belofte van een zoon (Rom. 4). Abraham kon bij die gelegenheid niet anders dan geloven – immers, zijn eigen vermogen om kinderen te verwekken was ‘verstorven’. De gelovigen onder Paulus’ beheer waren ‘kinderen van Abraham’ omdat ze ook zo geloofden. Alles van God, en niets van hunzelf.

    De Joden aan wie de brief van Jakobus geschreven is, wonen in het buitenland (Jak. 1:1). Maar ze komen, net als de Joden in Israël, samen in de synagoge (Jak. 2:2 – onterecht vertaald met ‘vergadering’) en horen dus elke sabbat de wet voorgelezen worden. In die setting moet je volgens mij hoofdstuk 1:19-25 lezen. Ze horen de wet wel, maar ze moeten haar ook doen. Als je de brief leest, zie je dat er bij hen veel vuilheid (1:20), aanzien des persoons (2:1-13), kwaadsprekerij (3:1-12, 4:11,12), liefde voor de wereld (4:1-10) en geldzucht is (5:1-5). Niet echt kenmerken van iemand die zich aan de wet houdt. In Handelingen wordt van de Joodse gelovigen gezegd dat ze juist ijverig voor de wet waren (Hand. 21:20). Jakobus spoort deze buitenlandse volksgenoten aan hetzelfde te doen. Geloven alleen is niet voldoende.

    Voor ons, die niet onder de wet zijn (Rom. 6:14 en andere), is dat vreemd, maar voor de Joden niet. Zij verwachten niet verlost te worden van de wet. Hun verwachting is juist dat ze eens de wet zullen kunnen houden, wanneer God hun harten vernieuwt (Ez. 36:26,27, zie ook Deut. 30:6). Heel het volk zal eens wedergeboren worden (Jes. 66:7,8). In de tijd van de bijbel was de wedergeboorte van de Joden beperkt tot enkelingen – soms grote groepen – maar Israël als natie bleef onbekeerd. Deze enkelingen waren ijverig voor de wet.

    Wij leven nu in een bijzondere tijd, een tijd van genade. De wet is voor ons niet aan de orde. Maar als deze tijd voorbij is, en de volheid der heidenen is binnengegaan (Rom. 11:25), zal God de draad weer oppakken met Israël. De wet zal opnieuw centraal komen te staan – en dan voor heel de wereld:

    En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. – Jes. 2:2,3

    Dan zal het Koninkrijk aanbreken en Israël de Priesternatie zijn voor alle volkeren. Voor ons, voor nu, zijn de woorden van Paulus. Voor toen, en voor straks zijn de wet en de woorden van de twaalf. Ook die van Jakobus.

  8. boukje / okt 5 2011

    Goed om deze discussie zo te volgen. Ook mijn gedachten hierover zijn nog “werk in uitvoering” (leuk bedacht).
    Kennen jullie het dagboekje: Goede tijden-dagboek bij de bijbel
    Op blz 61 daarvan wordt het volgende gezegd:” Bij de besnijdenis, wat een werk van mensenhanden is, hoort het gerechtvaardigd worden uit zowel geloof als werken.
    De besnijdenis van de heidenen is niet naar het vlees, geen werk van mensen, maar een werk van God, een besnijdenis van het hart, en daarom zijn deze gelovigen enkel op grond van genade behouden, zonder werken der wet.”
    Dus duidelijk 2 verschillende groepen.

    Als ik het goed begrijp dan is deze tijd van genade, zonder wet, slechts tijdelijk, totdat het lichaam van Christus wordt weggerukt, en daarna gaat de wet weer een rol spelen, bij Israel en ook bij de volken, totdat God bij iedereen het hart heeft besneden?
    Pff ik blijf het lastig vinden…

  9. goswindeboer.nl / okt 5 2011

    he Boukje

    Sjonge, met jullie vragen manouevreren jullie me wel tot op (of over?) de rand van mijn inzicht. Neem de volgende gedachten dan ook als niet meer dan dat: gedachten. Ik moet me er duidelijk nog wat meer in verdiepen. Als ik over deze dingen nadenk houd ik de volgende gegevens in mijn achterhoofd:

    – De wet is aan Israël gegeven (Lev. 27:34)
    – Als Jezus straks als Koning op de troon in Jeruzalem zal zitten, zal de wet vanuit Israël uitgaan naar heel de wereld (Jes. 2:1,2)
    – de wet blijft van kracht tot de hemel en aarde vernieuwd worden (Mat. 5:18)
    – God werkt er naar toe om eens alles in allen te zijn (1 Kor. 15:28), elke eeuw (aion) een stapje dichter bij dat doel. De hemel en aarde worden op weg daar naartoe vernieuwd (Op. 21:1) en dan is de wet niet meer van kracht (?). Hoe dan ook, wanneer Hij alles in iedereen is, helemaal aan het einde van de eeuwen, hebben we geen wet meer nodig om ons te vertellen wat wel en niet mag. Dan zal het-goede-doen vanuit ieders binnenste stromen.

    Dus wij leven in een heel bijzondere tijd. Want ondanks een zo grote nadruk op de wet in de hele geschiedenis, leven wij niet onder de wet. Eigenlijk leven wij nu zoals het aan het einde van de eeuwen voor iedereen zal zijn. Zonder wet. Niet omdat wij nu al foutloos leven, maar omdat God ons door het geloof rechtvaardig rekent (Rom. 4:5). Dus we zijn het nog niet, God rekent ons zo. Pas wanneer we zijn opgestaan in onsterfelijkheid zal de dood, en daarmee de zonde (Rom. 5:12 SV) geen grip meer op ons hebben.

    In 1 Kor. 10:11 noemt Paulus de gelovigen “ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.” In dit licht is dat een heel begrijpelijke zin. Wij mogen nu leven alsof het einde van de eeuwen al is bereikt. Alsof God alles in allen is, en alle vijandschap is tenietgedaan. Dat is pure genade, natuurlijk. Eens zal iedereen levendgemaakt zijn. Dan zal de wet niet meer nodig zijn, omdat de zonde ons niet meer aankleeft. Deze bijzondere tussentijd is als het ware de ‘sneak-preview’ van Gods einddoel.

  10. pietsje / okt 6 2011

    Hoi Goswin,

    Bedankt voor je reactie.
    Ik vind het net als Boukje, erg leuk om zo samen onze gedachten te delen die we over Vaders Woord hebben, dat is voor mij pas gemeente zijn EF 3:17b-19.
    Ik wil nog even terugkomen op het verschil tussen werken der wet en werken uit geloof van Christus waar Jacobus over schrijft aan de 12 stammen in de verstrooiïng.
    Volgens mij waren dit Messias belijdende Joden, die terugvielen in hun oude religieuze gewoonten door weer te leven naar de wet 1:16;, maar Jezus Christus heeft de wet vervuld 1:17;21b en volgens mij wijst Jacobus deze Messias belijdende Joden erop om met zachtmoedigheid het in hen geplante woord van God aan te nemen, want dat alleen kan hun ziel behouden en niet het doen van de wet.
    Volgens mij geldt het houden van de wet alleen voor de niet Messias belijdende Joden, maar ook mijn gedachten zijn gelukkig nog werk in uitvoering.

    Groetjes Pietsje.

reageer